`Rust, reinheid en regelmaat, daar draait het om'

Hij zoop en hij snoof en hij zat achter de vrouwen aan, maar nu wil hij vooral een goed huisvader zijn. Columnist en schrijver Martin Bril over zijn ziekte, de hengelsport en de rafelranden van het nieuws. `Ik ben veel te lang jong geweest.'

Hij heeft geen grote fantasie, zegt hij, maar wel een grote verbeelding. Alle situaties die hij beschrijft zijn werkelijk gebeurd, maar ze zijn een vertrekpunt. ,,Ik redeneer verder. Ik kom bijvoorbeeld net bij de avondwinkel vandaan, want het brood was op. Voor me staat een dame van een jaar of zeventig, grijs haar, in een verschoten roze trainingspak. Ze heeft ook nog een gouden oorbel in. Die vrouw koopt een zak Croky-chips en betaalt uit een bruine oudedamesportemonnee, met zo'n sluiting die zachtjes klikt – mijn moeder had er ook een. Daarna sjokt ze weg.

,,Dat is het feit. Dat is de situatie. Maar mijn gedachten gaan verder. In gedachten ga ik met haar mee naar huis, waar ze de tv-gids openslaat en waar haar avond begint. Ik sla dan zelf de tv-gids open om die avond te reconstrueren. De publieke omroep is niets voor haar, dat lijkt me duidelijk. Een aflevering van de serie `Het zwarte schaap' met de weduwe Rost van Tonningen – nee. Ze kiest voor RTL4. Commissaris Rex, daar gaat ze eens goed voor zitten, daar heeft ze die zak chips voor gekocht. Daarna `De vijftig beste van RTL4' – ik kan me er niets bij voorstellen, maar zij blijft kijken. In een onbewaakt moment zapt ze wellicht even langs The Godfather, maar een Duitse krimi trekt toch meer. Op RTL is er nog eentje te zien, en die pikt ze nog even mee voor ze naar bed gaat.

,,Dat is de avond van deze mevrouw. Ik zou het zo kunnen opschrijven. Dan kun je zeggen: dat heb je verzonnen, maar dat vind ik dus niet. Zo'n vrouw is een type. Er zijn onvoorstelbaar veel individuen, maar uiteindelijk heb je maar een paar type mensen. Daar kijk ik naar en die beschrijf ik. Goedbeschouwd is het een variant op het favoriete tijdverdrijf van veel echtparen: je zit op een terras, je kijkt naar de flanerende passanten en je stelt je voor hoe hun leven er uit ziet. Ik doe dat ook. Ik heb er alleen mijn werk van gemaakt. Het is een talent, maar het is ook een kwestie van training.''

Columnist en schrijver Martin Bril (42) woont aan een drukke Amsterdamse weg, in een ruime benedenwoning met uitzicht op een oude binnentuin, waar op deze regenachtige zomeravond een kastanjeboom zwaar en nat wacht op de dingen die komen gaan. ,,Ik schrijf vaak over die kastanjeboom. Hoe hij kaal wordt in de herfst, en uitbot in het voorjaar. En ik schrijf over wat er achter zit. Achter die boom woont een studente, die als ze onder de douche staat zo'n mooi beslagen keukenraam krijgt.''

In de huiskamer staat prominent het speelgoed van zijn kinderen uitgestald, en ook verder heerst er een niet onaangename wanorde. ,,Ik woon hier al vijf jaar'', zegt hij, ,,en ik leef nog steeds op voet van oorlog met dit huis, onder meer vanwege het verkeer voor de deur. Maar het heeft vooral te maken met het feit dat ik een enorme zeikerd ben. Ik voel me moeilijk thuis. Als ik ergens ben, wil ik weer weg. En als ik weg ben, heb ik heimwee. Heel lastig hoor, maar ik doe het er maar mee.''

Sinds bijna een jaar schrijft Martin Bril een dagelijkse column in de Volkskrant, op de eerste pagina van het tweede katern. Hij reist het land door op zoek naar de rafelranden van het nieuws, in navolging van A.J. Liebling en E.B. White, legendarische verslaggevers van het Amerikaanse blad The New Yorker. Hij heeft verschillende genres en stijlen tot zijn beschikking – korte reportages, rechtbankverslagen, mini-interviews, dialogen en observaties, al dan niet poëtisch van aard. Kenmerkend zijn de korte alinea's, soms slechts bestaande uit het woord `Enfin'. De stukjes zijn moderner dan Carmiggelt, gevarieerder dan Ischa Meijer, minder journalistiek dan Frits Abrahams in deze krant en minder populistisch dan Rob Hoogland in De Telegraaf. Ze zijn, kortom, zeer eigen.

Een à twee keer per week doet Martin Bril verslag van zijn persoonlijk leven, thuis en in het ziekenhuis. Een half jaar geleden werd darmkanker geconstateerd, waarvoor een spoedoperatie noodzakelijk was. Hij ondergaat chemotherapie, ,,een mild regime'', zegt hij zelf, en hij is ervan overtuigd dat hij beter wordt. ,,Ik ga niet dood, in elk geval niet op de korte termijn. De oncologen zijn weliswaar sceptisch, maar dat zijn ze altijd. Mijn internist is optimistischer. Dus ik werk gewoon door. Je kunt dat beschouwen als een vorm van stoer doen, en misschien is het dat ook wel, maar ik kan niet anders. De WAO is voor mij geen optie. Financieel niet, maar mentaal evenmin. Er zit niets anders op dan door te gaan.''

Hij begon zijn column in 1996 in Het Parool. Ischa Meijer was overleden, hoofdredacteur Sytze van der Zee was opgestapt en de krant zocht naar nieuwe wegen. Matthijs van Nieuwkerk, de nieuwe hoofdredacteur, gaf hem de mogelijkheid zes weken lang elke dag het Hakkelaar-proces te verslaan, en daarmee was zijn naam bij de krant gevestigd. ,,Die column was een instant succes. Vanaf de eerste dag wist ik dat 't goed zat. Alles viel op zijn plaats. Voor die tijd was ik een hardwerkende freelancer zonder veel vaste inkomsten, ik schreef voor de duvel en z'n ouwe moer, ik zoop en ik snoof en ik zat achter de wijven aan – eerlijk gezegd zat ik in een flinke crisis. De structuur van die dagelijkse column had ik nodig. Ik ben met drinken opgehouden toen ik begon, en sindsdien drink ik geen druppel meer.''

Helaas mocht hij in Het Parool niet figureren op pagina 3, de pagina van Carmiggelts Kronkels en van Meijers Dikke Man, maar op de stadspagina 5. ,,Dat was omdat mijn stukjes louter over Amsterdam moesten gaan. Dat is me jarenlang goed bevallen, maar op den duur werd het toch te klein. Ik had Amsterdam eerlijk gezegd wel gezien. Ik wilde het ook graag over de rest van Nederland hebben, de provinciaal in mezelf meer ruimte geven. En ik wilde meer lezers ook, Het Parool is toch een kleine krant. Daarom kwam de Volkskrant als geroepen.''

Gouwe ouwe

Zijn Volkskrant-column wordt gewaardeerd, zo blijkt uit lezersonderzoek. Vooral door jongeren en vrouwen. ,,Dat is mooi, want dat was de bedoeling. Ik heb zelf trouwens niemand voor ogen als ik mijn stukjes schrijf. Of het moet een aantrekkelijke vrouw van 35 zijn. Getrouwd, maar in voor leuke dingen, als je begrijpt wat ik bedoel. Er gaat niets boven een leuke vrouw die je niet kunt krijgen.''

Bril heeft naar eigen zeggen een ,,passie voor het gewone'' en oog voor ,,de schoonheid van het alledaagse'', en een meer dan gemiddelde belangstelling voor de gewone man, al heeft hij soms sterk de indruk dat de gewone man helemaal niet bestaat. Dan reist hij maar weer af naar Almere of naar Houten, zonder een echte gewone man aan te treffen. ,,Toch kom ik regelmatig iemand tegen die op hem lijkt. 's Ochtends in de file bijvoorbeeld. Daar maakt hij trouwens geen ontevreden indruk. Hij fluit een gouwe ouwe mee met Radio 10 FM, hij gluurt eens naar zijn buurvrouw in haar Golfje – dat is zo'n gek leven nog niet. De gewone man ploetert dat het een aard heeft, en hij verdient te weinig, maar de facto komt hij weinig tekort. Hij heeft een tuintje voor en een tuintje achter, een vrouw en kinderen. Wat wil je meer?

,,Maar eens in de vier jaar zijn er verkiezingen, en dan verandert er iets in de gemoedstoestand van de gewone man. Dan zijn er politici die hem op de files wijzen, en op de wachtlijsten in de gezondheidszorg, en dan denkt hij: `Verdomme, er deugt eigenlijk helemaal niets van. En die verkeersdrempel voor mijn deur, daar heeft ook niemand me naar gevraagd.' Die eenvoudig op te wekken ontevredenheid was de basis van het succes van Pim Fortuyn, waarmee ik overigens niet veel kwaads over Fortuyn wil zeggen. Naar mijn idee werd hij ten onrechte afgeschilderd als louter een relnicht en een rechtse populist. Hij was veel meer. Hij was een tragische man, buitengewoon getalenteerd en buitengewoon eenzaam – daar hoef je geen psycholoog voor te zijn. Ik heb hem zeer gemist, de afgelopen maanden, want hij had dat rare kabinet dat we nu hebben ongetwijfeld opgefleurd.''

Maar goed, we hadden het over de gewone man. ,,Tja, de gewone man. Ik ben eigenlijk wel jaloers op de gewone man. Als ik 's ochtends door een nieuwbouwwijk rijd, en er hangt beddengoed uit de ramen, dan ben ik ontroerd. Dan denk ik: was ík maar zo. Ik ben veel te lang jong geweest. Mensen van mijn generatie konden nog eindeloos studeren, daar komt het door. Mijn broers zijn tien jaar jonger dan ik, maar ze werden eerder volwassen. Ik heb te lang dat rock-'n-roll-ideaal gekoesterd. Coke, drank, en 's avonds om tien uur ongeschoren een restaurant binnenstappen, met vrouw en kinderen en herdershond.

,,Dat is veranderd, allemaal. Ik heb een keurig gezin, een eigen huis. Ik sta nooit meer rood op de bank, en dat is maar goed ook, want rood staan bezorgt me slapeloze nachten. Junkiegedrag is dat; ik krijg angstvisioenen van deurwaarders en faillissementen. Ik heb me de afgelopen jaren razendsnel aan het volwassen bestaan overgegeven, en dat komt vooral door de kinderen. De kinderen moeten tenslotte een voorbeeld hebben. Alle pedagogen zeggen het, en ze hebben gelijk: rust, reinheid en regelmaat, daar draait het om. Niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen. Met rust, reinheid en regelmaat kom je heel ver.

,,Dat is een les van het ouder worden. In de waarheid staan, dat is een andere les. Als je jong bent, wil je niet gewoon zijn. Je denkt dat je je identiteit ontleent aan bijzonder gedrag. Kinderen maken je duidelijk dat dat niet zo is. Kinderen brengen je dichterbij het gewone. Als je goed naar kinderen kijkt en goed naar kinderen luistert, als je je in hen verdiept, dan ontdek je het gewone leven. Kinderen dwingen je het leven te aanvaarden zoals het is.

,,Veel mannen van mijn leeftijd hebben het daar moeilijk mee. Die komen in een midlifecrisis terecht. Ze gaan scheiden, ze willen op wereldreis, een jongere vriendin – alles om maar niet gewoon te hoeven zijn. `Is dit alles?', luidt de wanhopige vraag. Ja, dat is alles. Is 't niet genoeg dan? Ik vind van wel. Hoe minder je wilt, hoe meer je hebt en hoe meer tijd er over blijft om te werken. Dat is voor mij de oogst van een redelijk gewoon, geregeld leven. Ik kan al mijn energie in mijn werk steken. De basics zijn in orde, over de grote vragen des levens hoef ik me geen zorgen te maken. In die zin ben ik vrijer dan vroeger.''

Herman Brood

Met het toenemende belang dat Martin Bril aan het familieleven hecht, heeft dat leven een steeds grotere plaats in zijn columns gekregen. Af en toe duikt er nog een ongenode gast uit het verleden op, een vroegere cokedealer bijvoorbeeld, maar veel vaker krijgen zijn twee dochters, van acht en tien, een belangrijke rol toebedeeld. Bril wisselt met hen van gedachten, over Fortuyn, over de dood van Herman Brood, over school, over joggende vrouwen in het Vondelpark, over het leven in 't algemeen. Als ze tenminste naar hem willen luisteren.

Zijn echtgenote is minder aanwezig in de stukken. Ze is er vooral op de achtergrond. Vorig jaar gaf ze een opmerkelijk interview aan het maandblad Elle, waarin ze die rol op de achtergrond toelichtte. Aan betaald werk had ze geen behoefte, vertelde ze de verslaggeefster. Ze had gewerkt, maar toen was het thuis misgelopen. Dus zorgt ze voor Martin en de kinderen, en doet ze de zakelijke belangenbehartiging van haar man. ,,Zo ongeëmancipeerd als de pest, maar het is niet anders. Ik houd ervan om mijn gezin te verzorgen, en mijn gezin heeft dat nodig. Twee gevoelige kinderen, een man die constant zorg nodig heeft om te functioneren.''

Martin Bril grijnst een beetje verlegen als het interview ter sprake komt. ,,Het is waar'', zegt hij dan. ,,Ik heb veel aandacht en zorg nodig om te kunnen functioneren. Het is niet anders. Ik weet ook niet hoe het komt. Ik ben erg onzeker, waarschijnlijk. Ik heb een gelukkige jeugd gehad, voor zover ik weet, want zo ontzettend veel herinneringen heb ik niet aan vroeger. Ik mis veel details. Opmerkelijk eigenlijk, voor iemand die zo in details is geïnteresseerd als ik.

,,Mijn beste boek heet Het tekort. De titel is van uitgever Maj Spijkers, niet van mijzelf, maar het was een schot in de roos. Ik voel me vaak tekortgedaan. Dat is echt iets waartegen ik moet vechten, een naar gevoel. Ik voel me vaak tekortschieten ook trouwens, je schiet altijd tekort in de aandacht die je geeft aan vrienden, aan geliefden, aan je kinderen. Maar ik kan ook heel verongelijkt zijn en ontevreden. Ik kan me heel goed verplaatsen in iemand die altijd het deksel op de neus krijgt, die altijd wordt afgezeken, die altijd achter het net vist. Wat dat betreft weet ik wel wat de meeste landgenoten drijft. Aan de andere kant: zelf ben ik vooral een aanhanger van het goede humeur. Je er niet onder laten krijgen.''

De hengelsport biedt een fraai lichtbeeld bij deze karaktertrekken. ,,Vissen is een passie van me, langs de waterkant zitten, op zo'n strookje vervuilde grond, naast een dubieuze handelaar in tweedehandsauto's, en dan die ene onvermijdelijke vraag te stellen: `En, bijten ze?' Niets is ontspannender. Het is eigenlijk een vorm van meditatie om naar die dobber te staren, en dan opeens die vis binnen te halen, het schepnet in, het haakje uit zijn bek. Soms wil ik dus gaan vissen. Maar vissen is iets voor de hele dag, dat heeft tijd nodig, en als ik een dag wegga, voel ik me schuldig tegenover vrouw en kinderen. Dus ga ik maar een uurtje, en vervolgens ben ik nijdig. Waarom kan ik niet een dag gaan vissen als ik dat wil?

,,Daarom komt dat werk van mij zo goed uit: ik kan een hele dag op pad zijn zonder me schuldig te voelen. En het mooie is: je stukjes worden beter als je er met je pet naar gooit. De stukjes die je flierefluitend schrijft, die zijn meestal het beste. Die worden ook het meest gewaardeerd. Maar als ik drie van die stukjes heb geschreven, ook dan voel ik me weer schuldig. Dan denk ik: `Ik word hier toch voor betaald, ik moet eens een keer wat gaan dóén.' Dan stap ik in de auto en rijd maar weer eens naar Den Haag. Maar daar hang ik vervolgens niet de verslaggever uit. Ik ben niet iemand die zijn vinger opsteekt om Jan Peter Balkenende een vraag te stellen. Ik trek liever mijn eigen conclusies. En dan eindigt het er meestal toch weer mee dat ik in Nieuwspoort met Hans Dijkstal over het weer zit te praten.''

Koude handen

,,Het weer is heel belangrijk in mijn werk. Het weer is misschien wel niet het allerbelangrijkste in een mensenleven, maar het scheelt niet veel, en toch kom je het in de literatuur maar zelden tegen. Een mooie nazomerdag, het moment dat de lente overgaat in de zomer, de dag dat je voor het eerst koude handen hebt. Het heeft ook iets troostrijks, de cycli van de seizoenen. Veel troostrijker in elk geval dan de cycli van de Haagse politiek, of van de AEX. Met dat ritme van de seizoenen in tune komen, ermee in de maat leven, dat is belangrijk in een mensenleven.

,,Zo'n ziekte als die van mij versterkt dat alleen maar. Een ernstige ziekte maakt het moeilijk om op de lange termijn te plannen. Ik kan me maar beter niet voornemen om op mijn vijftigste een roman te gaan schrijven, of om te gaan stoppen met werken op m'n zestigste, want je weet maar nooit. Zo'n ziekte maakt dat ik nog hartstochtelijker het `Pluk de dag' predik dan voorheen.

,,Ik heb altijd zin in een nieuwe dag, dat is al mijn hele leven zo. Ik ben een ochtendmens. Een nieuwe dag vervult mij altijd weer met hoop. Ik heb morgen bepaald geen leuk programma voor de boeg, ik moet om acht uur in het ziekenhuis zijn, bloed laten prikken, aan een infuus liggen. Geen dingen om naar uit te kijken. Maar ik doe het toch. Ben ik benieuwd wie ik tegenkom. Een dokter met een mop of een patiënt met een verhaal. Of een leuke verpleegster natuurlijk.''

Op 27 augustus verschijnt bij uitgeverij Prometheus een bundeling van de columns van Martin Bril, De Afsluitdijk en verder, € 15,95.