Religie

In `Religie blijft altijd bestaan' (W&O, 3 aug.) stelt godsdienstpsycholoog Janssen dat onkerkelijken evenveel religieuze ervaringen hebben als kerkelijken en dat God kennelijk in de mens `biologisch verankerd' is ofwel `religie zogezegd in onze genen zit'.

Is dat niet wat al te kort door de bocht? Is het niet wat juister om bij de filosofen aan te sluiten die spreken van de `ervaring van het sublieme'? Uit onderzoek blijkt dat mensen allerlei verschillende ervaringen kunnen hebben die wijzen op een zich verbonden voelen met `iets heel moois' of `met het Al'. Deze mystieke extase blijkt echter niet perse gekoppeld aan God, maar kan ook optreden in de beleving van de natuur, in het luisteren naar bepaalde muziek, kijken naar een bijzonder schilderij of lezen van een goed boek, of in de liefde, zelfs in gezellige bijeenkomsten, in de passie van een hobby of in de sport. In Zen-meditatie kan men de `Verlichting' of het `Hogere Zelf' bereiken door een bepaalde concentratie of `leegwording-die-zich-vult'.

Bij al deze verschijnselen blijken steeds bepaalde neurotransmitters zoals dopamine in bepaalde hersengedeelten in verhoogde concentratie aanwezig te zijn. Dus niet alleen God zit tussen onze oren, maar ook andere `transcendente ervaringen'. Om dit allemaal onder `religie' te rubriceren lijkt wat eenzijdig.

Bovendien kan juist de godsdienstpsycholoog beter niet direct bij de bioloog aankloppen voor een religie-gen, maar zich liever nog eens tot de Bijbel, Koran of Vedanta wenden, waarin de mythe soms op een door de bètawetenschappen niet te verbeteren wijze aangeeft waar voor de mens de bron, de `natuurlijke behoefte' van de religie vandaan komt. Met name het Paradijsverhaal bevat de prachtige metafoor van het menselijke teveel aan kennis dat dit cruciaal is ben ik eens met Janssen ofwel de `gebrokenheid' (in plaats en tijd) die waarschijnlijk de belangrijkste bestaansreden van de religies vormt.