Religie 4

In `Religie blijft altijd bestaan' (W&O, 3 aug.) twijfelt prof. J. Janssen aan de werking van bidden. Zijn blikveld als wetenschapper wordt hier kennelijk beperkt door zijn eigen godsopvatting. Het door prof. Janssen gehanteerde denkmodel over religie en het ontstaan daarvan uit nog oudere rituelen ademt dezelfde vooringenomenheid. Hij onderscheidt geloof, bijgeloof, en ongeloof. Rituelen zouden vooraf zijn gegaan aan het ontstaan van religie. De rituelen `begonnen als een soort bijgeloof'.

Hoe stellig is een onderscheid te maken tussen geloof, bijgeloof en ongeloof als het toch vooral een emotionele overtuiging is? Worden de termen niet in de eerste plaats gebruikt door geloofsgroepen over wat ze van elkaar beweren? Daarvoor bestaat toch wetenschappelijk gezien geen ijkpunt? En wat de betekenis van de rituelen betreft: Is het niet in de eerste plaats bepalend welke mentale kracht de gelovige ervan ondervindt? Op zichzelf, als gebaar, zijn ze dus betekenisloos. Datzelfde is ook inherent aan elke godsdienst. Als je je kan losmaken van de geloofsgemeenschap en je er niet de geloofsopvatting meer mee deelt, heeft het zijn betekenis verloren.

Bestudering van de gedragingen en emoties van personen die stevig in de rats zitten (gevangenen onder zware omstandigheden, overlevenden in hachelijke omstandigheden) heeft duidelijk gemaakt dat overtuigingen en verbondenheid met de kern van de geloofsovertuiging de overlevingskansen bijzonder vergroten. Als daarop het etiket God wordt geplakt, wie zal dan mogen beweren dat die God, de door de betrokkene als persoonlijk gevoelde bijstand, ridicuul is?