Religie 3

Prof.dr. J. Janssen stelt in `Religie blijft altijd bestaan' (W&O, 3 aug.) dat God biologisch is verankerd in de mens. Wat bedoelt prof. Janssen precies? Men zou zich de volgende drie mogelijkheden kunnen indenken:

1) Is God als schepper op analoge wijze in ons biologisch verankerd als een ouderpaar in zijn kinderen (identiteit van genen)?

2) Of meer psychisch als een `goddelijke vonk in de ziel' van de mens, zoals de mystici zeggen?

3) Of gaat het bij die verankering louter om de aanwezigheid van een godsbesef in ons bewustzijn, hoe dan ook ontstaan en daargelaten wat men onder `God' verstaat?

Is hij bevrediger van het verlangen naar voortbestaan na de dood, naar blijvende vrede en harmonie, naar inzicht (mysterie van het kwaad), de causa sui, de onbewogen beweger kortom de `God van de filosofen' (Pascal), of de grote zingever, de personificatie van de belangeloze liefde, of desnoods maar de noodhulp? Deze onderscheidingen zijn van weinig belang bij de vraag van interviewer Harm Visser, tenzij men met die verankering niets meer bedoelt dan een psychisch, mogelijk psychosomatisch antidotum tegen angstgevoelens voor het sterven, wanhoop, besef van zinloosheid etc.

Maar ook hier rijst de vraag: Hoe is dit ontstaan en waarom? De vraag van Visser luidde: zegt men in feite dat God in werkelijkheid níet bestaat als men poneert dat God biologisch is verankerd? Mijn antwoord zou zijn: Integendeel. Als men een bepaalde opvatting van de evolutie aanvaardbaar acht, bijvoorbeeld dat God in zijn schepping (kosmos inclusief de mens) is ingegaan en zijn sporen heeft nagelaten (de immanente God), dan is die biologische verankering van God een argument voor zijn werkelijk bestaan.

Bij dit alles blijft de stelling van theoloog Harry Kuitert overeind: Alles van boven komt van beneden. God manifesteert zich in en door de geïnspireerde mens, in casu de profeet of de heilige.