Religie 2

Volgens godsdienstpsycholoog prof.dr. J. Janssen is God biologisch verankerd in de mens (W&O, 3 aug.) Dit concludeert hij onder andere op basis van de constatering dat religie hardnekkig is en niet met de religieuze instituten ten onder gaat. Helaas wordt een mogelijke rol van de maatschappij als `religieus reservoir' niet besproken. Het is slechts de onuitgesproken suggestie dat de invulling van de `behoefte' aan religie tot in detail biologisch gedetermineerd zou zijn, die het interview interessant maakt.

`Religie zit zogezegd in de genen', aldus Janssen. Het begrip religie wordt helaas niet duidelijk gedefinieerd. Tussen de regels door lezend begrijpen we dat hij dit zeer `breed' invult. Zijn mensen die niet geloven dat God niet bestaat, maar ook niet dat God wel bestaat, religieus? Het is twijfelachtig of met een zinnige definitie van religie de conclusie dat de biologische drijfveren die aan religie ten grondslag liggen immer tot religie leiden, stand houdt.

Geloven in zaken waar geen enkel bewijs voor is dempt voor velen een emotionele put die onzekerheid veroorzaakt. Het concept dat deze onzekerheid een gevolg is van biologische en biochemische processen in de hersenen is niet nieuw. Het interview suggereert dat niet alleen deze onzekerheid maar ook de specifieke reactie van een mens op dit gevoel biologisch vastligt. De uitkomst zou dus onveranderlijk religieus zijn. Onze kennis van de mechanismen waarmee biologische en omgevings-factoren gedrag bepalen is echter verre van volledig. Het feit dat de psychologie nog steeds bestaat is hier kroongetuige van. De gevolgen van cultuur en culturele ontwikkeling op de invulling van deze biologisch `gedicteerde' religieuze behoeften zijn niet bekend. De controversiële indruk die door Janssen wordt gewekt is hierdoor, en als gevolg van de ruime definitie van de term religie, dan ook niet terecht.