Nieuwe politiek

De snelheid waarmee de nieuwe politiek het aanschijn van de oude aanneemt is onthutsend. Al tijdens zijn allereerste persconferentie moet de nieuwe minister-president zich in bochten wringen om een van zijn ministers de hand boven het hoofd te houden. Niet zomaar een minister, maar iemand namens de LPF, vernoemd naar de man die tijdens de verkiezingscampagne zo vilein uithaalde naar wat hij de `excuus-democratie' noemde. Daaraan diende met onmiddellijke ingang een einde te komen, daar zou hij voor zorgen. Maar zie, na onthullingen over een kwestieus zakenverleden laat de premier horen dat zijn minister van Economische Zaken juridisch niets valt te verwijten. Het waren enkele ondergeschikten die de regels aan hun laars lapten.

Nu van tweeën een: Heinsbroek wist ervan en houdt zich onterecht schuil, of hij wist er niks van en faalde op een nogal wezenlijk punt als leider van zijn bedrijf. In beide gevallen staat hij er gekleurd op. Het doet er niet toe of Heinsbroek juridisch al dan niet iets valt te verwijten. Voor een politicus is een onverdacht blazoen minstens zo belangrijk. Heinsbroek heeft de schijn tegen zich, verergert de zaak door te zwijgen en tast de geloofwaardigheid aan van zijn eigen functioneren, dat van de minister-president en van het kabinet. Het ergst van alles is dat de geloofwaardigheid van de politiek in het geding komt. Want wie gelooft de onzin over die ondergeschikten? Niemand toch, behalve de minister-president. En dat allemaal nog voor de eerste Prinsjesdag van dit kabinet.