Meer techneuten en minder advocaten

Het Nederlandse bedrijfsleven lijkt zich nauwelijks bezig te houden met de gevolgen van het bachelor-mastersysteem. ,,Wat het oplevert, zien we later wel.''

Over een week gaat het roer om op de Nederlandse universiteiten. Er gaat korter gestudeerd worden, maar er komen ook masters en topmasters, vervolgopleidingen voor getalenteerde en gemotiveerde studenten. Het Nederlandse bedrijfsleven, groot afnemer van kersverse academici, lijkt zich nog niet erg druk te maken over de mogelijke gevolgen van het nieuwe onderwijssysteem. Of over de kansen die het biedt op het gebied van personeelswerving.

ABN Amro meldt dat de bank ,,weinig te vertellen heeft over dit onderwerp. We werven mensen op basis van competentiemodellen en daar verandert niets aan.'' De woordvoerder bij Shell zegt: ,,Wat het bachelor-masterstelsel oplevert, zien we later wel. Daar valt verder niets over te zeggen.'' En ook de medewerker management recruitment van Unilever laat na overleg met de afdeling persvoorlichting weten geen enkele vraag op dit gebied te kunnen beantwoorden.

Maar is het Nederlandse bedrijfsleven echt zo onvoorbereid? Ook hier kent men de verhalen uit de Verenigde Staten, waar het nieuwe stelsel vandaan komt. Daar verbinden bedrijven graag hun naam en geld aan prestigieuze universiteiten, mede omdat zij zo makkelijker toegang hebben tot getalenteerde academici, die zij graag in hun bedrijf willen opnemen. ,,Ik weet zeker'', zegt het hoofd recruitment van chemieconcern DSM, Bas van Buijtenen, ,, dat grote bedrijven, zeker die in de technische hoek, achter de schermen druk bezig zijn met de implicaties van het nieuwe onderwijsstelsel. Net als wij.''

Zelf wil Van Buijtenen best kwijt dat DSM niet afwijzend staat tegenover de mogelijkheid om studiebeurzen te verschaffen aan studenten die een master willen volgen op een voor DSM relevant vakgebied. DSM heeft bijvoorbeeld nu een tekort aan chemisch technologen. Mogelijk zou dit gecorrigeerd kunnen worden door de bijbehorende masteropleiding aantrekkelijker te maken. Het chemieconcern heeft al enige (positieve) ervaring op dit gebied: het financiert al jaren promotieplaatsen, ofwel postdoctoraal onderzoek.

Dit jaar is DSM extra gemotiveerd om creatieve wervingsmethodieken in te zetten. Er studeerden al lange tijd weinig mensen techniek, maar volgens Van Buijtenen is de instroom dit jaar zelfs ,,schrikbarend laag. Jaarlijks nemen we ongeveer honderd academici aan, maar mogelijk lukt dat de komende jaren niet.'' Tenzij het bedrijf op andere manieren jonge academici weet binnen te halen. Van Buijtenen: ,,Naast een studiebeurs financieren, zijn meerdere varianten denkbaar waarmee je getalenteerde studenten aan je kunt binden.'' Het komend jaar zal DSM benutten om nader overleg te voeren over deze varianten, ,,met de betreffende onderwijsinstellingen.'' Nadere informatie laat hij, mede uit concurrentie-overwegingen, voorlopig liever achterwege.

Pauline Frima, directeur van Frima Search & Selection, dat hoogopgeleid 35+-personeel werft voor onder meer Fortis, ING, Nuon en Shell, kan wel enkele varianten bedenken. ,,Een bedrijf kan bijvoorbeeld overwegen om de masteropleiding van een student te betalen, in ruil voor een dienstverband. Na afloop van de studie bepaalt het bedrijf dan wel in welke functie het de nieuwe werknemer plaatst.'' Voordeel is volgens Frima dat je zo ,,een pool aanboort van toekomstige arbeidskrachten die normaal gesproken niet aan jouw bedrijf zouden hebben gedacht.''

Een interessante mogelijkheid biedt het BaMa-systeem volgens Frima aan grote ondernemingen zoals Shell en Unilever, die een eigen opleidingsinstituut hebben. ,,In dergelijke gevallen heeft het grote voordelen je interne trainee-programma te laten samenvallen met een masteropleiding. Je bindt mensen aan je bedrijf en hebt de kans de universitaire opleiding praktijkgerichter te maken.'' Met name topmasteropleidingen, die twee jaar mogen duren, zijn volgens Frima geschikt voor deze constructie.

Binnen de advocatuur blijkt de beroepsorganisatie, de Orde van Advocaten, reeds in overleg met de Verenigde Universiteiten (VSNU) over een dergelijke constructie. Beide partijen onderzoeken al enige tijd of de interne beroepsopleiding voor advocaten niet (deels) kan opgaan in een masteropleiding. Nu volgt een afgestudeerd jurist een driejarige beroepsopleiding, die wordt betaald door het advocatenkantoor dat hem in dienst heeft genomen. Volgens het hoofd opleidingen van de Orde, Rob van Otterlo, willen advocatenkantoren het geld dat ze hiervoor betalen 11.000 à 16.000 euro graag ten dele overhevelen naar een masteropleiding, om zo de (academische) kwaliteit van de opleiding tot advocaat te verbeteren.

Het nieuwe onderwijssysteem baart hier en daar ook zorgen. Zowel de Orde van Advocaten als DSM is bang dat een groot aantal studenten niet doorgaat voor de mastertitel. ,,Het is goed denkbaar dat veel studenten al na de bachelorfase stoppen met hun studie'', zegt Van Otterlo. Dit zou de huidige trend versterken dat er minder mensen beschikbaar zijn voor de advocatuur, waar de mastertitel de minimale ingangseis is. De advocatuur zou specifiek kwetsbaar zijn, omdat de keuze voor het vak volgens Van Otterlo ,,veelal laat in de studie, na de bachelorfase wordt gemaakt.''

Volgens DSM-man Van Buijtenen ,,kan echter even goed blijken dat het bachelor-mastersysteem in ons voordeel werkt, als het ervoor zorgt dat meer afgestudeerde hts'ers daarna een master gaan volgen.'' Nu vindt een ambitieuze hts'er moeilijk aansluiting bij de universiteit, mede omdat onduidelijk is waar hij moet instappen. ,,Misschien komen er wel meer bètastudenten uit het buitenland naar Nederlandse onderwijsinstellingen'', filosofeert Van Buijtenen verder. ,,Tenslotte is de structuur van de studie nu duidelijker, internationaler. Als dat gebeurt, zijn we natuurlijk dik tevreden met het nieuwe stelsel.''

Werkgeversorganisatie VNO-NCW noemt het bachelor-mastermodel ,,een goede zaak.'' Op de website prijst VNO-NCW `de internationale herkenbaarheid' van het nieuwe stelsel en stelt dat dit de mobiliteit van studenten bevordert. Daarmee zou het stelsel goed aansluiten bij de trend dat de arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden steeds verder internationaliseert.

VNO-NCW heeft geen bezwaren tegen sponsoring door het bedrijfsleven van het hoger onderwijs, mits dit niet leidt tot hogere kosten voor de student. ,,Nederlandse studenten betalen nu al 25 procent van de kosten. Dat is, ook internationaal gezien, erg veel.'' Secretaris onderwijszaken Hans Koole benadrukt bovendien dat VNO-NCW tegenstander is van directe financiële banden tussen bedrijfsleven en universiteit of hbo. ,,Wij vinden alleen banden tussen bedrijf en student acceptabel, zodat de keus aan de laatste is.''