Houdgreep

In het najaar van 2000 verzocht het faculteitsbestuur mij zitting te nemen in een commissie die de invoering van de bachelor-masterstructuur moest voorbereiden.

,,Is dat besluit tot invoering dan al genomen?'' vroeg ik.

,,Die structuur gaat er komen.'' Met dat besef zette de commissie zich aan het werk.

Tijdens de eerste vergadering was de stemming lichtelijk geamuseerd. De aanwijzingen van het bureau van de universiteit waren onduidelijk. Wisten ze wel waar ze aan begonnen waren? Ons bekroop het gevoel dat we moesten zien te redden wat er te redden viel van onze mooie, degelijke opleiding.

We waren er al snel uit. Na de invoering van de BaMa-structuur mochten wij niet meer spreken van propedeusevakken of van een basis- en een vervolgdoctoraal. Dezelfde vakken konden wel opnieuw geïntroduceerd worden als respectievelijk niveau 100, niveau 200 en niveau 300 cursussen. Het schrijven van een volwaardige scriptie schoven we door naar de masterfase, evenals de capita selecta colleges.

Juist toen we dachten dat we klaar waren, belegde het bureau van de universiteit een bijeenkomst waar de plannen `van boven' werden ontvouwd: opheffing van facultaire grenzen en keuzevrijheid op alle niveaus. Opstandig keerden de verschillende BaMa-commissies terug naar hun faculteit. Van de gedachte dat een faculteit haar opleidingen een eigen signatuur kon meegeven, was niets over. In het BaMa model `van boven' werd zij een aanbieder van het product onderwijs dat door de consument – de vroegere student – kon worden afgenomen.

Langzamerhand werd duidelijk dat niemand precies wist wat het BaMa-model inhield. Sommigen beschouwden het als een mogelijkheid om de oude vijfjarige opleidingen in ere te herstellen - met het bachelordiploma als equivalent van het oude kandidaats en de master als nieuwe doctorandustitel. Anderen stond een universiteitsbrede liberal arts opleiding voor ogen, waarin de student zijn eigen onderwijsprogramma samenstelde en de traditionele studierichtingen werden gereduceerd tot `accentverschillen'.

Ondertussen werd nergens gediscussieerd over de vraag of de introductie van het bachelor-masterstelsel wel een goed idee was. Men ging er gewoon van uit dat het moest – for better or for worse. Af en toe viel de term `Bologna-akkoord', gesloten door 29 Europese ministers, van wie sommigen de universiteit nog nooit bezocht hadden. Zonder dat schimmige akkoord zou de BaMa nooit op deze manier ingevoerd zijn.

Toen de Kamer eindelijk debatteerde over het wetsvoorstel, bleek dat ook politici niet wisten waar ze het over hadden. Wel wisten ze minister Hermans kwaad te krijgen. Hij dreigde zijn wetsvoorstel in te trekken, maar zag daar uiteindelijk vanaf, omdat de universiteiten ,, al te ver waren met de voorbereiding''.

In een open democratie zou je verwachten dat eerst over een wetsvoorstel wordt gedebatteerd, publiekelijk en in de Kamer. Uiteindelijk neemt het parlement, liefst op rationele gronden, een besluit, waarna `het veld' de wet kan uitvoeren.

In het geval van de BaMa is er zonder debat een wet aangenomen, omdat het wetsvoorstel door het veld voorbereid was. In onderwijsland leven we in een bureaucratie waar een beperkt groepje ambtenaren de dienst uitmaakt.

Hermans moet een grapje hebben gemaakt toen hij zei te overwegen het wetsvoorstel in te trekken. Terugkijkend op zijn ministerschap noemde hij als zijn grootste prestatie de invoering van de BaMa. ,,We liggen voorop in Europa,'' meldde hij trots.

Waar is Hermans zo trots op? Op een bachelorsdiploma dat het bedrijfsleven noch de universiteiten in het buitenland enige garantie biedt dat de desbetreffende student ook wat kan? Op masterprogramma's, waar hoogleraren om gevochten hebben, maar die door slechts een handjevol studenten gevolgd zullen worden?

En zo is de kwaliteit van het universitaire onderwijs minder geworden, juist omdat we probeerden te redden wat er te redden viel.

Menno Lievers is universitair docent aan de Universiteit Utrecht.