Giscard speelt een verdacht spel

De beste garantie tegen een Europese superstaat is een Europa waarin de lidstaten gelijkwaardig zijn, meent Hans van Baalen.

Onlangs stelde de voorzitter van de Conventie over de Toekomst van Europa, de Franse oud-president Valéry Giscard d'Estaing, op persoonlijke titel, in Le Monde voor een Europees Congres op te richten. Een non-oplossing voor een niet bestaand probleem, maar kenmerkend voor de taakopvatting van Giscard: het buiten spel zetten van de door hem voorgezeten Conventie ten gunste van de grote lidstaten en ten nadele van de kleine en middelgrote EU-leden, die daarmee onwelkome gasten bij de Europese besluitvorming worden. Wanneer Giscard niet door de Conventie wordt teruggefloten, dreigt het project van de Grondwetgevende vergadering van de EU te mislukken.

Eigenlijk bestaat de Conventie uit twee circuits, die geïsoleerd van elkaar opereren. Het circuit van Giscard, zijn presidium annex werkgroepvoorzitters, zijn politiek georiënteerd secretariaat en de regeringsvertegenwoordigers van de grote landen, dat een intergouvernementele benadering van de Europese samenwerking voorstaat. Het andere is dat van de afgevaardigden van de nationale parlementen en van het Europees Parlement, dat de communautaire dimensie van de Europese samenwerking wil versterken. De vraag is welk circuit uiteindelijk zal winnen.

De intergouvernementele benadering betekent meer macht bij de Europese Raad van staats- en regeringsleiders, de Raden van Ministers en het raadssecretariaat van Javier Solana, en minder macht bij de Europese Commissie en het Europees Parlement. Giscard, de Franse president Chirac, de Britse premier Blair, de Duitse bondskanselier Schröder en de Italiaanse en Spaanse premiers Belusconi en Aznar willen een Europees directorium van de grote landen in het leven roepen, dat het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt. De kleine en middelgrote landen zullen dan het nakijken hebben.

Voorts wil Giscard een extra instantie in het leven roepen die voorkomt dat teveel onderwerpen op Europees niveau worden besloten. Dit plan van de Britse staatssecretaris Peter Haine lijkt op het eerste gezicht sympathiek, maar is een extra instrument in de handen van de grote landen. Haine wil dat dit orgaan wordt samengesteld uit één parlementaire vertegenwoordiger per lidstaat. De stem van elke vertegewoordiger telt even zwaar als die van de regeringsvertegenwoordiger in de Raad van Ministers. Aldus creëren de grote landen een extra sleutel om hun onwelgevallige besluitvorming op EU-niveau af te wijzen.

Het wordt tijd dat de afgevaardigden van de nationale parlementen en het Europees Parlement hun hakken in het zand zetten want anders zal hun invloed op de eindtekst, een proeve van een nieuw EU-verdrag dat de Unie moet prepareren op een verdere uitbreiding, minimaal zijn.

Naast de vereenvoudiging van de structuur van de Unie betekent dat de versterking van de communautaire methode. De belangrijkste kwestie is daarbij de subsidiariteitsvraag: waar worden in concrete gevallen besluiten genomen? Op Unie-niveau via een samenspel van Raad, Europese Commissie en Europees Parlement? Of op het niveau van de lidstaten, al dan niet in nauwe samenwerking op intergouvernementeel vlak binnen de EU? Daarvoor is geen nieuw orgaan nodig, noch een gedetailleerde catalogus van bevoegdheden.

De Europese Commissie moet, wanneer zij Europese wetgeving voorbereidt, uitgebreid schriftelijk ingaan op de reden waarom actie op EU-niveau noodzakelijk is. Criteria zijn daarbij grensoverschrijdend karakter, efficiency, kostenbesparing en effectiviteit. De Commissie is daartoe nu reeds verplicht, maar maakt zich er te lichtvaardig vanaf. Er is voor ambitieuze Eurocommissarissen altijd wel een Verdragsartikel te vinden om een wetgevingsinitiatief te rechtvaardigen.

De subsidiariteitstoets van de Commissie zou daarom daarna in het openbaar in de Raad moeten worden beoordeeld, opdat de nationale ministers vooraf en achteraf in hun nationale parlementen ter verantwoording kunnen worden geroepen over hun in te nemen of ingenomen standpunt. De Raad beslist de subsidiariteitsvraag in het licht van de Verdragen en de politieke opportuniteit. Aldus ontwikkelt zich een toetsingskader voor Europese regelgeving, worden nationale parlementen bij de Europese besluitvorming betrokken, en een rigide competentiecatalogus vermeden.

Als sluitstuk van de Conventie dienen de samenstelling en de werking van de Europese instellingen aan de orde te komen. Laat de Raad geleid worden door een trojka van de inkomende, zittende en uitgaande voorzitters; hiermee verandert er niets aan de rotatie en de gelijkwaardigheid van grote en kleine lidstaten, maar wordt de continuïteit van het voorzitterschap versterkt en een directorium van de grote zes, Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland, Italië, Spanje en nieuwkomer Polen, voorkomen. Laat de Commissie samengesteld worden uit één commissaris per lidstaat, ook nadat de 27ste lidstaat tot de Unie is toegetreden. Dat maakt de Commissie herkenbaar naar de lidstaten toe, en maakt het mogelijk dat de commissarissen in `hun' lidstaten de rol van ambassadeur van de Commissie vervullen. Laat voorts het Europees Parlement medewetgever zijn in alle gevallen waarbij in de Raad met gekwalificeerde meerderheid over Europese wetgeving wordt besloten. Wetgeving in de Raad dient áltijd in de openbaarheid plaats te vinden.

De beste garantie tegen een Europese superstaat is een communautair Europa, waarin sprake is van een hoge mate van gelijkwaardigheid van de lidstaten. Openbaarheid, transparantie, parlementaire controle en vereenvoudiging van de besluitvorming zijn hierbij noodzakelijke voorwaarden voor hervorming, niet het creëren van nieuwe organen met een vaag mandaat en het beperken van de deelnemers aan het bestuur van de Unie.

Hans van Baalen is plv. lid van de Conventie over de Toekomst van Europa en oud-lid van de Tweede Kamer waar hij deel uitmaakte van de VVD-fractie.