GEZELLIG ZOOIEN

Ontgroening en gezelligheid, zuipen en zooien. In `Wij Amsterdamsche Studiosi' wordt de geschiedenis van asc en avsv afgezet tegen de stijgende studentenaantallen.

Het tiende woord in het jubileumboek Wij Amsterdamsche Studiosi is `borrelen', en dat is niet voor niets. Overmatig alcoholgebruik keert veelvuldig terug in het uitgebreide en fraaie boek waarmee het Amsterdamsch Studenten Corps/Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereniging zijn 150-jarig bestaan viert. Maar wellicht is er een kentering, want na de `recordbieromzet van het jaar 1996-1997' (waarvan het aantal liters overigens onvermeld blijft) daalt de inname gestaag, tot 240.000 liter in 2000-2001, weggetikt door ongeveer 3000 leden. Die daling heeft te maken met het door tempo- en prestatiebeurs geregisseerde `gepland dronken worden', maar ook met de toenemende populariteit van mixdrankjes zoals het `blokje' (gin-jenever-wodka-bacardi-whisky-bacardi limón). Sterk spul, maar bedreigend voor de bedrijfsvoering: de winstmarge is kleiner dan die op bier.

Deze wetenswaardigheden komen uit de afdeling die ongeveer de helft van Wij Amsterdamsche Studiosi inneemt: `een geschiedenis van het ASC/AVSV' door de historicus Piebe B. Teeboom. Daarnaast zijn er door Willem Diepraam uitgezochte foto's, een zestiental grotendeels teleurstellende `herinneringen' van oud-leden en de resultaten van een uitgebreide enquête naar de handel en wandel van de huidige verenigingsleden.

Het corps heeft altijd een dubbelhartige houding ten opzichte van de buitenwereld aangenomen. ``Mede door excessen uit het verleden blijft er bij sommigen een onjuist beeld bestaan van onze vereniging'', schrijft Bertien van Baak in de inleiding tot het boek. ``Deze reputatie heeft tot gevolg dat contacten met de media sporadisch en behoedzaam blijven. En terwijl achter die gesloten deuren zeker niets gebeurt dat het daglicht niet kan verdragen, is de oude gewoonte van zwijgzaamheid zo diep geworteld dat alleen over het strikt noodzakelijke gecommuniceerd wordt.'' Journalisten die weleens hebben geprobeerd door te dringen tot de corpswereld weten dat `sporadisch en behoedzaam' een understatement is.

Juist daarom zijn de redelijke openheid en de feitelijkheid die Teeboom betracht een aangename verrassing. Hij verzwijgt incidenten uit het verleden niet, zoals de `zwembadaffaire' waarbij een eerstejaars in 1962 met een honkbalknuppel bewusteloos werd geslagen. Ter relativering meldt hij wel dat dader en slachtoffer later goede vrienden werden. In de meest recente geschiedenis, die de historicus zelf als lid meemaakte, vallen nog regelmatig gewonden, volgens hem mede doordat er in het huidige onderkomen van het corps meer ruimte is voor het `zooien' (waarbij corpsleden elkaar bij de jasjes grijpen en net zo lang in de rondte zwiepen tot er een de sterkste blijkt). Extra ruimte betekent hogere snelheden en grotere risico's. Bovendien signaleert men in 1995 `een toenemende agressie bij (mannelijke) leden'. ``Zo zijn er het afgelopen halve jaar al een hersenschudding, een gebroken knieschijf, een gebroken kuitbeen en een verlamde hand te betreuren geweest.''

Doorstromen

Honderdvijftig jaar geleden was het echter niet de behoefte aan bier of `gezelligheid' die leidde tot de stichting van het corps in Amsterdam, maar de behoefte aan een officiële ontgroening. Amsterdam had tot 1877 geen universiteit, maar een Athenaeum Illustre, dat onderwijs gaf, maar geen academische examens mocht afnemen. Daartoe konden studenten `doorstromen' naar erkende universiteiten, zoals die in Leiden of Utrecht. Daar echter werden zij beschouwd als nieuwelingen, die nog een hele ontgroening moesten doormaken. Hun verklaring dat zij bij aankomst in het Athenaeum Illustre al waren ontgroend, mocht niet baten. Vandaar dat in 1818 een aantal studenten besloot een `ontgroensenaat' op te richten. De ontgroen-senaten van verschillende gezindten fuseerden in 1852 tot het Amsterdamsch Studenten Corps.

Dat was vanaf het begin georganiseerd in disputen en niet, zoals elders, in jaarclubs. Die verschillende disputen hebben in de loop der tijd een eigen identiteit ontwikkeld, bijvoorbeeld van een grote literaire of muzikale belangstelling. Dat is overigens een nadeel voor de toegankelijkheid van het geschiedverhaal. In zijn begrijpelijke hang naar volledigheid meldt Teeboom de oprichting, opheffing en (soms) heroprichting van een groot aantal deelverenigingen, die voornamelijk voor betrokkenen interessant is.

Daartegenover staat dat hij een heldere lijn in zijn betoog weet vast te houden, waarin hij de ontwikkeling van het corps afzet tegen de steeds stijgende studentenaantallen. In de eerste vijftig jaar leidt dat tot een omvorming van de vereniging als representant van alle studenten naar een gezelligheidsclub voor een deel van hen.

Herman Gorter

Teeboom ziet 1877, het jaar waarin het Athenaeum Illustre werd omgevormd tot Universiteit van Amsterdam, als moment waarop `minder pretentieuze lol' geleidelijk aan een belangrijker plaats begon te krijgen. Dan breekt ook de tijd aan waarin enkele beroemde corpsleden hun opwachting maken, zoals Herman Gorter.

Het ASC – en de Amsterdamsche Vrouwelijke Studenten Vereniging, waarmee veel gekibbeld en in 1971 definitief wordt gefuseerd – blijkt vooral het domein van de conservatieve student; zeker in de jaren twintig en dertig heeft ook het fascisme een zekere aanhang onder de corpsleden. Tijdens de bezetting is daar overigens niets van te merken: toen de Duitsers op 1 november 1941 joden uitsloten van het lidmaatschap van gezelligheidsverenigingen, besloot het corps dadelijk zichzelf op te heffen – dit in opmerkelijk contrast tot de Universiteit van Amsterdam, die gedurende de hele oorlog open bleef. Na de oorlog kwam het Amsterdamse corps door de groei van de studentenaantallen, de opkomst van de radicale ASVA en een aantal ontgroeningsschandalen steeds meer in de marge van het universitaire leven terecht. Tussen 1967 en 1974 leidt dat tot een `massasterfte' onder Amsterdamse disputen. In de jaren tachtig treedt het herstel in.

De belangstelling van vrouwen voor de vereniging is overigens een stuk groter dan die van mannelijke studenten. Teeboom meldt daarop overigens een uitzondering: in 1996 meldden zich plotseling 210 jongens in plaats van de gebruikelijke 160. De stijging wordt algemeen toegeschreven aan het succes van het televisieprogramma Jiskefet, waarin het voorgaande jaar de `lullo`s' Kamphuys, Kerstens en Van Binsbergen een centrale rol vervulden.

Worstelpartij

Waar Teeboom de geschiedenis van de vereniging in woorden op een rij zet, heeft Willem Diepraam dat gedaan aan de hand van de vaak schitterende foto's uit een groot aantal verschillende archieven. De meeste zijn groepsfoto's, vaak bij officiële gelegenheden gemaakt, maar andere tonen de studenten in, tsja, actie. Bijvoorbeeld op een foto van een worstelpartij in 1915, waarbij de mat waarop het gevecht plaatsvindt wordt vastgehouden door een twintigtal kaalgeschoren en soms bebloede eerstejaars, of juist van collectieve uitgelatenheid op een `diner masqué' uit 1998. Zoals Diepraam het zelf zegt in het boek: ``De gezichten veranderen, maar het verhaal is hetzelfde.'' Dat verhaal is in dit jubileumboek uitzonderlijk mooi vormgegeven.

Wij Amsterdamsche Studiosi. 400 blz. €45,– (€32,50 voor leden/reünisten). Te bestellen via 020-5238010 of www.reunistenasc-avsv.