Dikke bult

Straffen is heel gewoon bij mensen. Iemand die iets verkeerd heeft gedaan, moet boeten – op de een of andere manier. Maar waarom eigenlijk? Klassiek bestaan er drie motiveringen voor straf, die in enquêtes en strafrechtverhandelingen ook altijd weer terugkeren. De eerste, en waarschijnlijk de oudste is die van het verdiende loon: iemand die de norm overtreedt moet bestraft worden om het evenwicht te herstellen. `Oog om oog', heet dat in de bijbel. Of zoals Immanuel Kant het formuleerde: `straf kan nooit alleen maar worden toegepast om iets goeds te bewerkstelligen, bestraffing van misdadigers moet in verhouding staan tot hun innerlijke slechtheid.' De tweede rechtvaardiging is die van afschrikking: bestraffing zal deze overtreder en anderen in de toekomst ervan weerhouden om de norm te overtreden. De derde is de simpelste: uitschakeling. Door opsluiting, verminking of erger wordt het een gevaarlijk individu onmogelijk gemaakt om misdaden te begaan.

Als mensen gevraagd wordt deze rechtvaardigingen te beoordelen, blijken ze het vrijwel altijd met alle drie wel eens te zijn. Twee psychologen en een rechtsgeleerde hebben nu echter vastgesteld dat bij de bepaling van een straf gewone mensen zich alleen maar laten leiden door de verdiende-loon-theorie (Journal of personality and social psychology, augustus). Zij deden dat door proefpersonen (studenten) zorgvuldig samengestelde cases voor te leggen waarna kon worden nagegaan door welke factoren de strafmaat werd beïnvloed. Het oude wraakprincipe blijkt dus nog altijd zeer dominant. Het zou interessant zijn hetzelfde onderzoek bij rechters te doen.

In een eerder onderzoek (Law and human behavior 24, 2000) hadden de psychologen K.M. Carlsmith en J.M. Darley en de jurist P.H. Robinson op die manier al vastgesteld dat de strafmaat niet door het uitschakelingsmotief, maar door het verdiende-loon-motief wordt bepaald. Nu vergeleken ze het verdiende loon dus met afschrikking.

Het onderzoek is primair psychologisch, maar de wetenschappers wijzen ook op maatschappelijke implicaties. Want als de gerechtshoven te veel straffen op grond van afschrikkingsprincipes, zullen zij op den duur hun morele legitimatie verliezen en zal de bevolking minder geneigd zijn de wet als leidraad voor het handelen te nemen. Paradoxaal genoeg vermindert daardoor ook het eventuele afschrikkingseffect van rechterlijke uitspraken.

De motieven van de proefpersoon werden blootgelegd door manipulatie van een aantal factoren in voorgelegde scenario's. Vanuit de verdiende-loon-gedachte is bijvoorbeeld de mate waarin schade is aangericht erg belangrijk voor de strafmaat. Ook zijn eventuele verzachtende omstandigheden van belang: iemand die steelt om een luxueuze levenstijl te financieren verdient meer straf dan iemand die steelt om zijn gezin te eten te geven. Bij de afschrikking zijn juist de mate van ontdekking en de algemene bekendheid van de bestraffing van belang: zonder publiciteit geen afschrikking. En andersom dienen dus ook misdaden die veel publiciteit krijgen zwaar te worden gestraft. Wie zoiets immoreel vindt redeneert duidelijk uit de verdiende-loon-theorie, aldus de onderzoekers. De zware straf van 15 jaar gevangenisstraf die afgelopen week werd uitgesproken over de brandstichter die de Enschedese vuurwerkramp veroorzaakte is dus volgens beide motiveringen te begrijpen: veel schade en veel publiciteit.

Een aantal factoren is niet duidelijk te herleiden tot de ene of de andere motivering. Bijvoorbeeld berouw. Spijt over de misdaad kàn binnen het verdiende-loon-paradigma leiden tot een lagere straf: het berouw is ook al een soort straf. Maar óók volgens het uitschakelingsmotief leidt het tot een lagere straf: wie berouw toont zal het niet gauw nog eens doen. Een andere dubbelzinnige factor is de mate waarin de schuld bewezen is. De auteurs van het artikel merken op dat het binnen het afschrikkingsparadigma helemaal niet nodig is om een schuldige te straffen. Zolang het publiek maar denkt dat er een schuldige gestraft wordt, werkt de afschrikking. Toch wordt dit argument zelden gebruikt door voorstanders van afschrikking.

De case waarover proefpersonen in verschillende experimenten hun oordeel als `rechter' moesten vellen betrof iemand die door fraude geld stal van zijn werkgever dan wel illegaal giftig afval stortte om zo geld te verdienen (kleine vs grote schade). De schuld stond in alle gevallen vast, maar de mate waarin de misdaad kon worden opgespeurd werd wel gemanipuleerd en ook werd het motief gevarieerd: de ene keer verduisterde de werknemer geld om zijn gokschulden te betalen, de andere keer was het doel ondersteuning van onderbetaalde werknemers in het buitenland.

Veranderingen in de factoren die in verband stonden met een verdiende-loon-motivering van straf leidden tot veel zwaardere (cq lichtere) straffen, dan veranderingen in factoren die hoorden bij afschrikking. Afschrikking speelde in de praktijk amper een rol. De onderzoekers vermoeden dat deze theorie vooral `in het algemeen' wordt aangehangen, als mensen nadenken over de maatschappij als geheel. In individuele gevallen geldt alleen `het verdiende loon'.