De machinekamer van de kenniseconomie hapert

Engeland en de Verenigde Staten gelden als de bakermat van het bachelor-mastersysteem. Wie daar zijn `BA' of `MA' behaalt, maakt meer kans op een hoog inkomen. Maar het `lopendeband- werkmodel' oogst ook steeds meer kritiek.

Een bachelorgraad van Shawntree State University in Ohio of de University of East London ziet er net zo uit als een bachelorgraad van Harvard of Oxford. Iedereen mag na een succesvolle afronding van zijn of haar studie `BA' achter zijn naam zetten. Maar wee degene die verwacht dat het effect hetzelfde is. Als de ervaring met een stelsel van bachelor- en masterdiploma's in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk íets leert, is het wel dat het begin van overzichtelijkheid ook het einde van helderheid is. Europese landen die overgaan op het zogenoemde BaMa-stelsel – in de hoop dat transparantie en vergelijkbaarheid het leven gaan vereenvoudigen – hadden zich de moeite kunnen besparen.

Geen reden tot wanhoop. Hoger onderwijs is een aanmoediging tot het ontwikkelen van een onderzoekende geest. Het eerste onderzoek waar iedere kandidaat-student in Nederland mee moet beginnen, is er achter te komen welke studie op welke plek wordt aangeboden, wat de kwaliteiten van de verschillende opleidingen zijn, en welke het beste aansluit bij de eigen talenten.

Dat je naar `de' universiteit bent geweest, zegt in Angelsaksische landen weinig; het idee van één norm of één systeem bestaat er niet. Zoals Richard Hopper, onderwijsspecialist bij de Wereldbank in Washington, zegt: ,,Het is al misleidend te spreken over een hoger onderwijssysteem in de VS. Hoger onderwijs in dit land is een immens, tamelijk grillig, onsamenhangend, gedecentraliseerd geheel van instellingen met sterk uiteenlopende doelstellingen.''

In Nederland was een doctorandus in de letteren uit Groningen in theorie even goed als een doctorandus uit Tilburg. In theorie. Want waar de ene professor al jaren zoek was, beleefde de andere de bloei van zijn of haar docentschap. En dat er niet in elke student een potentiële Nobelprijswinnaar schuilde, bleek achteraf toch niet alleen aan de `ongelijke kansen' te liggen. Die egalitaire fictie begint pas sinds kort te verdwijnen, zoals ook blijkt uit de speciale opleidingen voor uitblinkers, die vrijwel elke Nederlandse universiteit nu aanbiedt. In Angelsaksische landen – die intellectuele kwaliteiten minder met menselijke waardigheid associëren – zijn diversiteit en competitie vanouds een gegeven.

Als er straks bachelors uit Kampen, Middlesborough, Palermo en Amsterdam naar een felbegeerde onderzoeksplaats solliciteren, dan zal de commissie natuurlijk kijken waar die bachelorgraad gedrukt is en wat de opleiding daar waard is. En als studenten verder willen in het leven doen zij er goed aan daar zelf ook tijdig achter te komen.

In de Verenigde Staten doet de Council for Higher Education Accreditation (www.chea.org) een serieuze gooi naar kwaliteitsbeheersing en -vergelijking van opleidingen. Zij laat het aan de markt over om studenten wegwijs te maken. Zo doet US News and World Report elk jaar uitgebreid academisch warenonderzoek (www.usnews.com). Gemeld wordt welke liberal arts colleges (waar men in vier jaar een bachelorgraad kan halen) de beste zijn, hoeveel ze kosten en welk toelatingsbeleid ze hanteren. Amherst hoort bij de top; daar komt maar negentien procent van de aanvragers binnen. Pitzer College (Californië) laat 55 procent toe. En Pikeville College (Kentucky) laat iedereen toe.

Ook het Britse Quality Assurance Agency for Higher Education (www.qaa.ac.uk) publiceert elke zomer tabellen en andere waarderingen voor universiteiten. De eredivisie van dit jaar wordt aangevoerd door Cambridge, waar het onderwijs en het onderzoek in 33 van de 35 vakgroepen het predikaat `excellent' krijgt. De universiteit van Paisley bij Glasgow draagt de rode lantaarn van de vierde divisie met één keer `excellent' uit twintig vakken.

En ook Nederlandse studenten in spe kunnen zich sinds een paar jaar globaal oriënteren met de zogenoemde `visitatierapporten'. Hierin neemt de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) vakgroepen periodiek de maat (www.vsnu.nl). Soms met vernietigend resultaat, zoals de opleidingen sociologie halverwege de jaren negentig merkten.

Zulke check-ups – en het klassement dat er onvermijdelijk uitrolt – zijn in het Verenigd Koninkrijk vanouds omstreden. Universiteiten hebben na jaren klagen over ,,willekeur'' en ,,bureaucratie'' de minister van Onderwijs ertoe gebracht het inspectieregime vanaf volgend jaar ingrijpend te versoepelen. QAA-chef John Randall diende zijn ontslag in tegen wat hij noemde ,,het weghalen van een voortdurende stimulans tot verbetering''.

Het blijft mogelijk uit te zoeken waar je met matige eindexamencijfers toch een kans maakt toegelaten te worden tot de studie wiskunde. Maar vaststellen waarin de studie filosofie in Edinburgh precies verschilt van die in York wordt steeds moeilijker. Al maakt het veel lagere collegegeld in Schotland de keuze misschien juist weer simpel.

De vierkante academische baretjes zien er overal het zelfde uit. Maar in de lijst `Best Value Great Colleges at Great Prices' van US News is te lezen dat je op Harvard College, waar je met het oog op de toekomst toch al naar toe moest, ook nog eens 50 procent kans op een beurs hebt. Als je wordt toegelaten. En als je naar Boston wilt. In de Verenigde Staten blijft 80 procent van de collegestudenten in de eigen staat. Het scheelt reiskosten en het is vertrouwder. De academisch meer gedreven student zoekt zich in de VS een weg door het grote land.

Mede dankzij de ver uiteenlopende niveaus is studeren in Angelsaksische landen, net als elders in de wereld, de laatste vijftig jaar steeds gewoner geworden. Tussen de veertig en vijftig procent van alle Amerikanen en Britten heeft tegenwoordig enige vorm van hoger onderwijs gevolgd. In de Verenigde Staten haalt een kwart een bachelor- of een mastergraad. Na de – meestal vierjarige – bacheloropleiding kan men in één of twee jaar een meer gespecialiseerde mastersopleiding volgen. Britse studenten doen meestal drie, soms vier jaar over hun bacheloropleiding en dan nog eens een à twee jaar voor ze Master (MA of MSc) achter hun naam mogen zetten. Een doctoraat (PhD), voor wie in de wetenschap echt wil doorzetten, kost daarna meestal nog een jaar of twee.

Het maakt nogal wat uit of het lukt zo'n graad te halen. Een net gepubliceerd onderzoek van de Amerikaanse Census, die de volkstelling van 2000 heeft geanalyseerd, laat zien dat mensen meer verdienen als zij graden halen. Een voortijdige verlater van een middelbare school in Amerika verdiende in 1999 gemiddeld 18.900 dollar, mét eindexamen liep dat op tot 25.900, met een BA- of mastersgraad tot 45.500, terwijl een beroepsdiploma als jurist, arts of architect garant stond voor een gemiddeld inkomen van 99.300 dollar.

In alle OESO-landen is zo'n ontwikkeling te zien.

Het halen van een graad lijkt een erfelijke component te hebben: ouders met een universitaire opleiding zijn sterker geneigd hun kinderen naar de universiteit te sturen, en ervoor te betalen. In het Verenigd Koninkrijk, waar kinderen uit de minderheid die betaald particulier onderwijs heeft genoten onevenredig hoog scoren aan de universiteiten, is die trend het sterkst. Het ideaal van de meritocratie, die premier Tony Blair – zelf een Oxford-jongen – zegt na te streven, komt daarmee niet veel sneller dichtbij.

De stormloop op de machinekamer van de kenniseconomie leidt tot kwaliteitsverlies, zeggen critici. Het Britse systeem van tutorials – minicolleges in een à deux met lector of professor – is er zeker door uitgehold. De greystone universiteiten houden hun Brideshead-doorkijkjes, maar kennisoverdracht aan bachelors is ook daar meestal lopendebandwerk geworden, in een woud van regels en quota en geplaagd door geldgebrek. Topinstellingen breken zich ook hier het hoofd over hoe ze kwaliteit naast kwantiteit kunnen handhaven.

De reputatie van universiteiten wordt bepaald door de hoeveelheid gezichtsbepalend wetenschappelijk onderzoek, door de (zo goed en zo kwaad als dat gaat) gemeten kwaliteit van het onderwijs en door de afstudeerprestaties van de studenten. Imago en werkelijkheid lopen niet altijd hand in hand. De marketinggaven van de Amerikaanse bestuursvoorzitters spelen vooralsnog een grotere rol dan in Europa. Zo kapte de kersverse president van Columbia University deze zomer opeens de procedure voor de benoeming van een nieuwe decaan van de Journalism School af. Men kan daar in tien maanden een goed bekend staande mastersgraad halen, maar de nieuwe high profile topman van Columbia, de jurist Lee Bollinger, wilde nog even vaststellen of de opleiding wel aan zijn academische normen voldeed.

De verlaagde drempel tot de universiteit leidt niet tot minder kwaliteit zonder meer. De Verenigde Staten hebben óók de meeste academische topinstituten van de wereld. De pool aan talent is er groter, en middelmatige studenten vinden makkelijk elders een plaats. Voor zover er discussie is, gaat die over de (on)betaalbaarheid van het hoger onderwijs en over de wenselijkheid meer studenten uit minderheden toe te laten. Maar of Wellesley College zijn studenten Engels een streng omlijnde lijst vakken laat bestuderen, terwijl Amherst, ook een topinstituut, de studenten Engels op de hele campus laat grasduinen, dat zoeken zij zelf maar uit. Louis Menand, hoogleraar Engels aan Columbia University en Pulitzer-winnaar, die dit voorbeeld beschrijft in The New York Review of Books van oktober vorig jaar, concludeert: ,,De tijd van één-maat-voor-iedereen hoger onderwijs is voorbij. (...) De wereld is veranderd. Het is [voor universiteiten] zaak op een nieuwe manier relevant te zijn.''