Blijf onder je man

Opvanghuizen voor mishandelde vrouwen zijn van kleur verschoten. Een ruime meerderheid van de vrouwen die zich melden is nu van allochtone afkomst. Slaan hun mannen vaker? Hoe dreigende families, opsluiting, maar ook Nederlandse regels tot hardere klappen kunnen leiden.

Ze is gewoon op. Zo vertaalt de politietolk het althans uit het Berbers. Ook al woont J. nu vier jaar in een stad in het midden van Nederland, de taal spreekt zij nog altijd niet. Hoe had zij het ook moeten leren? J. mocht zelden naar buiten.

Ruim een maand geleden nu, op 17 juli, rent ze dan toch haar woning uit. Ver komt ze niet. De buren zien hoe haar echtgenoot haar achternakomt en zoals wel vaker haar haren grijpt. Zo sleurt hij zijn vrouw naar binnen. Opnieuw bellen de buren de politie en deze keer lukte het de wijkagent J. te overreden. Ze laat zich meevoeren en doet eindelijk aangifte.

J., 24 jaar oud, is zo'n traditionele Marokkaanse vrouw die rechtstreeks uit het Rifgebergte naar Nederland kwam. In het vrouwenopvanghuis lopen zij en haar zoontje van drie nu wat verloren rond – het is eerder een soort fladderen wat ze doen, vaak opschrikkend.

Toen twintig jaar geleden de eerste blijf-van-mijn-lijfhuizen werden opgericht, was dat een teken van emancipatie. Hoogopgeleide Nederlandse vrouwen die mishandeld werden namen dat niet langer en organiseerden hun eigen onderduikadressen. De laatste jaren is veel veranderd. In stilte is de vrouwenopvang volstrekt van kleur verschoten.

In heel Nederland zijn er inmiddels zo'n 2.500 plaatsen waar mishandelde vrouwen terechtkunnen en van die vrouwen heeft een ruime meerderheid nu een allochtone achtergrond. In vrouwenopvang Hera, een fors huis voor 99 vrouwen en kinderen, zag Nienke *, die er al zestien jaar werkt, het voor haar ogen gebeuren. ,,Eerst kwamen de autochtonen met de klassieke blauwe plekken. Stilaan kwam daar de geestelijke mishandeling van autochtone vrouwen bij. En toen kwamen de allochtonen.''

Betekent dit misschien dat ook vrouwen van allochtone afkomst emanciperen? Een enkeling in de vrouwenopvang meent van wel. Een meerderheid ziet het toch anders. En kan overtuigend laten zien hoe verantwoordelijk ook Nederland is voor het in stand houden van die situatie.

Het Trimbos-instituut constateerde twee jaar geleden in de Monitor Maatschappelijke Opvang al dat ruim de helft van de bewoonsters van de vrouwenopvang, 56 procent, allochtoon was. Marokkaanse vrouwen bleken met 24 procent in de meerderheid te zijn. Daarna volgden als land van herkomst Turkije (16 procent), Suriname (16 procent) en de Nederlandse Antillen en Aruba (7 procent). Sindsdien zijn er meer Afrikaanse vrouwen gekomen. ,,Heel ingewikkeld'', zegt hulpverleenster Marieke in Hera daarover, ,,als het hier uit de hand loopt, krijgen ze in bijvoorbeeld Ghana ruzie over de bruidsschat.''

In Oosterbeek en in Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam zeggen de directrices bij navraag allemaal hetzelfde: de totale groep vrouwen met een allochtone achtergrond is intussen groter dan de Trimboscijfers aangeven. Roos van Dijk, directeur van de Vrouwenopvang Den Haag: ,,Ruim vijftig procent als je op land van geboorte telt, maar wel zeventig procent als je naar de nationaliteit van de ouders kijkt.''

Vijftig tot zeventig procent – terwijl van de gehele Nederlandse bevolking de totale groep allochtonen maar zo'n 12 procent is. Betekent het, met de recente oproep van een aantal imams in het geheugen, dat mannen uit bepaalde culturen hun vrouw werkelijk vaker slaan?

Khadija, 23 jaar oud, ziet in ieder geval een verschil. Zij is sinds twee weken in Hera. Ze is in Nederland geboren, haar ouders zijn Marokkaans. ,,Mijn soort, en dan bedoel ik de Marokkaanse vrouw die niet voor een huwelijk rechtstreeks uit Marokko is geïmporteerd, heeft nog twee keuzes: je blijft onder je man, of je loopt weg.'' Ze maakt wel onderscheid tussen de Marokkaanse vrouwen met een Arabische, en die met een Berberse achtergrond. De Arabische zijn wat vrijer. ,,Maar de Berberse vrouwen die rechtstreeks uit Marokko komen en later willen scheiden, díe zijn vrijwel kansloos.''

J. is zo'n vrouw. Zij zei inderdaad tegen de politie: ,,Aanvankelijk heb ik mij gevoegd in het slaan door hem. Ik weet dat het in de Marokkaanse gemeenschap normaal is dat een man zijn vrouw slaat.''

Nienke, die op de afdeling intake van Hera de vrouwen die zich melden het eerst te woord staat, constateert het voorzichtig: ,,Allochtone vrouwen zijn nogal eens gewend een klap te krijgen. Ze vragen mij direct om een huis, en het slaan zelf is nauwelijks een onderwerp. Je moet echt doorvragen. Ze maken op mij over het algemeen een machtelozere indruk dan autochtone vrouwen.''

,,Oh ja'', zegt ook Annemieke, maatschappelijk werkster in Hera. ,,Wat ik ook van de tolken hier hoor, is dat het in hun cultuur normaal is een klap te geven. Het is ook opvallend hoe vaak deze vrouwen niet weten wanneer het slaan precies begonnen is. Heel lang hebben ze het normaal gevonden, pas de echt extreme mishandeling beschouwen ze als `de eerste keer'.''

J. kan het nog niet opbrengen zelf haar verhaal te doen. Wel geeft ze Annemieke toestemming vrijuit over haar te vertellen en te citeren uit haar dossier. Daarin is de uitgebreide verklaring opgenomen die J. na haar vlucht in juli bij de politie aflegde.

J.: ,,Ik ben uitgehuwelijkt aan mijn man door mijn broers. Ik ben na ongeveer tien maanden naar Nederland gekomen. In Marokko was alles goed, ik vond in die tijd dat hij wel normaal was. In Nederland ging het vrijwel direct mis. Hij sloeg mij in die tijd veel. Het werd mij verboden de deur open te doen.''

Er komt zelden iemand op bezoek. Al snel mogen J. en haar zoontje nauwelijks nog naar buiten. Ruim vier jaar lang wordt J. min of meer gegijzeld. Haar man stelt merkwaardige regels in. Binnen tekent hij vakken op de grond waarbuiten J. en haar kind geen stap mogen zetten. J. mag bij periodes alleen nog slapen als haar echtgenoot toestemming geeft. Soms dwingt hij haar de hele nacht rechtop in bed te blijven zitten.

Op een dag worden ze uitgenodigd voor een feest van familie.

J.: ,,Ik had mij mooi aangekleed. Opeens zei mijn man dat ik niet mee mocht. Hij sloeg me dusdanig in het gezicht dat het bloed eruit kwam, mijn kleren waren kapotgescheurd.''

Annemieke: ,,En hij schold haar uit voor hoer.''

J: ,,Ik moest van hem met bebloede kleren mee naar het feest. Mijn nicht zag mij toen binnenkomen en heeft gezorgd dat ik andere kleren kreeg en ik heb op die manier deze zaken verborgen.''

Annemieke roept uit: ,,Dat is nou zo typerend voor wat we hier zien van die cultuur! Als het gebeurde maar niet bekend wordt, is het goed, zolang er maar geen schande van wordt gesproken.''En díe reactie van Annemieke is nou een typisch Nederlands staaltje `etnocentrisme'. Althans in de opvatting van de stichting Saadet in Rotterdam, het enige opvanghuis in Nederland dat voor uitsluitend islamitische meisjes en vrouwen is opgericht. Het adres is misschien wel het geheimste van alle blijf-van-mijn-lijfhuizen, omdat hele families soms dreigen en eerwraak nog bestaat. Saadet ontvangt dus geen pers, wel kan een brochure worden gestuurd. Daarin wordt uitgelegd hoe die ,,etnocentrische'' manier van denken van Nederlandse hulpverleensters islamitische vrouwen parten kan spelen: ,,Opmerkingen als `Je moet aan jezelf denken, je moet voor jezelf kiezen', komen bij islamitische vrouwen niet over. Het gaat er meer om eigen wensen te rijmen met die van familie.''

In opvanghuis Hera noemt de Koerdische hulpverleenster Mine Tasar het een verschil tussen de ,,ik- en de wij-cultuur''. ,,Dat is een groot verschil en je gaat daardoor anders om met mishandeling. Vrouwen uit een wij-cultuur zijn ook verantwoordelijk voor het welbevinden van hun familie, ze moeten dus vaker overleggen met ouders, zus of broers. En ja, als die het niet goed vinden dat ze hier blijft, dan gebeurt het dat ze weggaat.''

De stichting Saadet wil waarborgen dat ook een weggelopen vrouw als goede moslim kan blijven doorleven. Weglopen tast de eer van de familie al genoeg aan, is de redenering. En gewone opvanghuizen worden vaak als `losbandig' beschouwd. Dus wie daar belandt, wordt al snel voor hoer uitgemaakt. Saadet heeft daarom strenge regels, zodat familieleden zullen aannemen dat een vrouw daar haar eer niet hoeft te verliezen. De vrouwen mogen bijvoorbeeld niet in minirok de straat op en mannen boven de 10 jaar mogen geen voet over de drempel zetten.

Van de bewoonsters van Saadet gaat een derde terug naar de echtgenoot, meestal na aandringen van de familie. Saadet beschouwt dat anders dan andere opvanghuizen als een vanzelfsprekend gevolg van het leven in twee culturen: wie door de familie verstoten dreigt te worden, verliest vaak de hele gemeenschap. Veel vrouwen durven dat isolement niet aan.

Allochtone mannen slaan over het geheel genomen niet aantoonbaar vaker dan Nederlandse mannen, zeggen de directrices van de opvangcentra. Nederlandse vrouwen hebben het opvanghuis gewoon niet meer zo nodig. Die kiezen vaker voor een logeeradres bij vrienden en familie. Wil Verschoor, directeur van de Vrouwenopvang Utrecht, zegt het zo: ,,Het type vrouwen dat de blijf-van-mijn-lijfhuizen oprichtte, stapt tegenwoordig naar de rechter en vraagt een straatverbod.''

Mishandeling is in sommige tradities normaler, houden veel hulpverleners en ook mishandelde vrouwen zelf vol, maar juist bij Saadet noemen ze dit ,,een hardnekkig vooroordeel''. Hoe dan ook is er een aantal cruciale verschillen die wel degelijk tot ernstiger mishandeling kunnen leiden. Wie je er ook naar vraagt in het Nederlandse opvangcircuit, allemaal noemen ze dezelfde: Veel allochtone vrouwen, zeggen ze, worden niet alleen bedreigd door hun man maar door hun hele familie als ze weglopen – de schande is te groot. Broers slaan ook. Veel worden er bovendien niet alleen mishandeld maar ook opgesloten of anderszins geïsoleerd van de buitenwereld, bijvoorbeeld doordat ze de Nederlandse taal niet mogen leren. En het bitterste verschil: veel allochtone vrouwen hebben een probleem met hun verblijfsvergunning als ze weglopen, omdat ze een zogeheten afhankelijke status hebben, die ze bij echtscheiding kunnen verliezen. Ze kunnen niet weg.

Liever teruggestuurd worden naar dat Rifgebergte dan steeds worden mishandeld, zou men kunnen redeneren. De reactie van J. verklaart veel. ,,Stuur me niet terug!'', had ze de politie gesmeekt. ,,In mijn dorp weten mijn broers me zo te vinden!'' Die hadden haar immers uitgehuwelijkt, ze zouden haar onmiddellijk aan haar echtgenoot retourneren, maar nu ook nog eens gevaarlijk gebrandmerkt als vrouw die de familie-eer verspeelde. Veel allochtone vrouwen blijven door de genoemde verschillen relatief langer thuis wonen dan Nederlandse vrouwen. Daardoor kan de mishandeling gemiddeld extremere vormen aannemen: pas als het echt heel erg wordt, durven vrouwen te vertrekken. Áls ze vertrekken. Directeur Karla Blom van Hera: ,,Ik vrees dat de grootste groep nog steeds thuis zit. Wij krijgen de weerbare vrouwen.'' Ook Wil Verschoor van de Vrouwenopvang Utrecht weet het zeker: ,,Wat wij zien is het topje. De meeste vrouwen durven er helemaal niet uit te stappen.'' Roos van Dijk, opvang Den Haag: ,,Onze bewoonsters zijn dan ook geen afspiegeling van de maatschappij. Bij ons gaat het om de laag opgeleide groep, de allochtonen zijn daarnaast ook nog vaak traditioneel. Maar het mag ook wel eens gezegd dat deze groep bestaat. Dat is toch wel lang een taboe geweest in de multiculturele samenleving.''

Dat taboes gevaarlijk kunnen zijn, ondervonden J. en haar kind. Men was in Nederland al lang van hun lijdensweg op de hoogte. Maatschappelijk werkster Annemieke: ,,Iedereen was erbij betrokken, jarenlang heeft niemand een knoop durven doorhakken. Behalve, uiteindelijk, de wijkagent.''

J: ,,Mijn zoontje, bijna drie, huilde ook als ik geslagen werd. Mijn zoontje was al die tijd getuige dat ik werd geslagen.''

Annemieke: ,,Op het consultatiebureau hadden ze het door.''

J.: ,,Ook mijn man ging dan mee. Eén keer heeft het consultatiebureau geadviseerd mijn zoontje op de crèche te plaatsen, maar dat wilde hij niet.''

Annemieke: ,,Vervolgens is een vrouw van het consultatiebureau bij ze aan de deur geweest, maar die heeft hij gezegd weer weg te gaan. Het consultatiebureau deed daarna een melding bij het AMK (het advies- en meldpunt kindermishandeling, red.). De politie deed dat ook.''

Nu begint Annemieke te briesen: ,,Van de man van J. was inmiddels bekend dat hij psychische problemen had. Hij was onder behandeling van het Riagg. Het AMK deed daarom niets. Die vond dat het Riagg iets moest doen.''

Annemieke heeft het AMK nog gebeld om te vragen hoe dat kon gebeuren. ,,Vierenhalf jaar lang! De reactie was heel typerend. `Mevrouw is lang genoeg in Nederland om op de hoogte te zijn van haar rechten', werd gezegd. `Ze had zelf een verblijfsvergunning kunnen aanvragen en ze had hem kunnen verlaten.' Annemieke: ,,En dan komt zo'n vrouw hier. Het kind is een baby in een lijfje van drie. Die zag alleen hoe zijn moeder steeds geslagen werd. En hier kreeg dat kind opeens vrijheid, prikkels. Dus hij kreeg nachtmerries, ging overgeven, beet andere kinderen, ging door een ruit.''

Annemieke noemt wat J. overkwam ,,een heel extreme situatie'', en toch ook niet. ,,Bijna alle elementen die we hier bij allochtone vrouwen tegenkomen zitten in J.'s verhaal.'' Extreem is dat al die zaken J. tegelijk overkwamen.

J.had volgens de hulpverlenende instanties op de hoogte kunnen zijn van haar rechten. Maar als de wet voor Nederlanders al moeilijk te volgen is, hoe zou die dan begrijpelijk moeten zijn voor geïsoleerde vrouwen zonder kennis van de taal? Bij vrouwenopvang Amsterdam is Sietske Kwakkel speciaal aangesteld als `aandachtsfunctionaris verblijfsrecht'. Zelfs zij moet het nodige opzoeken als je vraagt hoe het nu precies werkt, die afhankelijke status.

Vervolg op pagina 22

Blijf onder je man

Vervolg van pagina 21

,,De afhankelijke verblijfsvergunning'', leest ze voor, ,,is een vergunning die je krijgt met als doel het verblijf bij je partner. Verlaat je de partner, dan vervalt het doel en dus de vergunning.''

Na drie jaar getrouwd te zijn heeft een vrouw recht op een zelfstandige verblijfsvergunning, mits ze binnen een jaar in haar eigen onderhoud kan voorzien. ,,Hier staat zo'n vrouw al op achterstand'', zegt Kwakkel. ,,Want in tegenstelling tot vrouwen met recht op een uitkering moeten deze vrouwen dat werk ook zoeken als ze kleine kinderen hebben.''

Vrouwen die mishandeld worden en het bovenstaande begrepen hebben, moeten nog iets leren: ze hebben al voordat de drie jaar om zijn een uitweg via een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Maar mishandeling alleen (aangetoond door aangifte of doktersverklaring) is daarvoor niet genoeg. Dit heet `het combinatiecriterium': een vrouw moet bijvoorbeeld óók in Nederland geboren kinderen hebben. Of ze moet kunnen aantonen dat in haar land van herkomst geen opvang voor haar is. Wie `alleen maar' geslagen wordt kan bij haar man blijven, of wordt teruggestuurd. Het Clara Wichmann Instituut, dat zich beijvert voor een betere rechtspositie voor vrouwen, pleit voor afschaffing van het combinatiecriterium. Omdat het ,,extreme'' macht aan de man geeft, zegt een woordvoerder, die het ook ,,stuitend'' noemt dat Nederlanders de eigen normen en waarden ,,ondergeschikt maken aan anti-vreemdelingenressentimenten''.

Juriste Els van Blokland onderzocht voor het Clara Wichmann Instituut vier jaar geleden de toekenning van een humanitaire status voor mishandelde vrouwen. Van Blokland volgde de behandeling van negentig dossiers en ontdekte nog een misstand: terwijl ruim 90 procent van de verzoeken om een humanitaire status in eerste aanleg door de vreemdelingendienst werd geweigerd, kreeg ruim 80 procent van die geweigerde vrouwen toen ze in beroep gingen die status van de rechter toch. De gemiddelde wachttijd tussen de eerste en tweede beslissing was tweeënhalf jaar.

Dat was niet alleen dramatisch lang voor de vrouwen. Een aantal keerde in arren moede terug naar hun echtgenoten. Het is ook nog steeds een groot probleem voor de opvanghuizen, vertellen de directrices. Door de lange wachttijd op een status op humanitaire gronden raakt de opvang verstopt. Normaal was dat vrouwen maximaal een half jaar bleven en dan een eigen woning hadden gevonden. Nu zitten sommige vrouwen er jaren met hun kinderen, in stapelbedden, op één slaapkamer.

De slaapkamers in Hera, een voormalige kraamkliniek voor gevallen meisjes die hard aan renovatie toe is, meten pakweg tweeënhalf bij drie. Tussen een stapelbed en twee kinderbedjes kun je je er nog net omdraaien. De meeste tijd brengen vrouwen en kinderen, verdeeld in groepen, in hun gezamenlijke woonkamers door. ,,Natuurlijk botst dat'', zegt directeur Karla Blom. ,,Je komt hier aan, meestal met wat inderhaast volgeladen plastic zakjes. Die prop je in een kast en daar zit je dan. Het is een melting pot van emoties.''

In Utrecht probeerde het vrouwenhuis twee jaar geleden alle mishandelde vrouwen met een onduidelijke status op te nemen en aan een humanitaire status te helpen. Het bleek ondoenlijk, zegt directeur Wil Verschoor. ,,Het kostte ons veel te veel tijd en geld en dat ging ten koste van anderen – we hebben een heel krap budget. Dat soort vrouwen nemen we dus niet meer op.'' Ieder vrouwenopvanghuis maakt nu de keuze zelf. Hera neemt ze wel, Den Haag en Amsterdam doen het ook.

Vrouwenopvang Amsterdam begon twee jaar geleden bovendien met ambulante hulp, om juist de vrouwen die binnen zitten te bereiken. In de hele stad zijn er nu min of meer geheime spreekuren op consultatiebureaus, bij huisartsen, op scholen, ofwel de schaarse plaatsen waar deze vrouwen van hun man nog mogen komen. ,,Veel vrouwen wíllen ook thuis blijven wonen'', zegt hulpverleenster Cecilia. ,,Vanwege de school van hun kinderen, of die paar contacten in de buurt. Het weinige aan bekends dat ze in het vreemde Nederland hebben willen ze niet kwijt. Ze willen alleen dat het geweld stopt.''

Cecilia en haar collega's zijn geoefend in het stilletjes spinnen van een netwerk rond zo'n vrouw, met het enige doel de mishandeling te beëindigen. ,,Buren, vrienden, politie, soms imams: zoveel mogelijk mensen worden ingeschakeld. Zodat de vrouw hen kan bellen als ze weer wordt mishandeld.'' Tot verrassing van de hulpverleners, die niet op veel medewerking durfden te hopen, heeft die methode succes. Ze doen nu ook voorzichtige pogingen de mannen te benaderen. ,,Ik heb vooral te maken met Turkse en Marokkaanse mannen'', zegt Cecilia. ,,De manier waarop ze slaan verschilt niet veel. Wel komen Turkse mannen eerder praten – de Marokkanen zien we weinig.''

In reactie op het onderzoek van Els van Blokland heeft het ministerie van Justitie een nieuwe richtlijn doen uitgaan: de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet niet talmen en de factor geweld zwaar gewicht geven bij toekenning van de humanitaire verblijfsstatus. Van Blokland is inmiddels weer aan het werk gegaan als advocaat. In haar praktijk ziet ze dat de nieuwe richtlijn nog niet overal werkt: ,,In Amsterdam kan het nu in een paar maanden geregeld zijn, maar in de regio Zuid-West kan zo'n aanvraag nog heel lang duren. Daar vragen ze nu meer bewijzen voordat mishandeling wordt aangenomen.''

Dat in het regeerakkoord nu staat dat importhuwelijken moeten worden ontmoedigd, is met het oog op mishandeling misschien niet zo'n slecht idee, beaamt Roos van Dijk van de opvang in Den Haag. ,,In ieder geval kun je je, op het moment dat Nederland zo'n vrouw wel toestaat hier te komen, afvragen waarom zij dan door onze wetgeving afhankelijk zou moeten blijven. Dat klopt helemaal niet met hoe wij hier over man-vrouw-verhoudingen denken.'' Els van Blokland ziet veel in de verplichte inburgering. ,,Omdat er nog veel vrouwen zijn die niet naar taalles mogen. Dat vergroot hun isolement en bovendien kan de les voor mishandelde vrouwen een uitweg bieden.''

Allochtone mánnen die voor zware mishandeling van hun vrouw zijn veroordeeld moeten voortaan worden ,,teruggestuurd'' naar hun land van herkomst, zegt minister Nawijn (Vreemdelingenbeleid) desgevraagd. ,,Ik heb met die vrouwen te doen en vindt dat de situatie zoals die nu is omgedraaid zou moeten worden.'' Niet vrouwen zouden het risico moeten lopen hun verblijfsstatus te verliezen, maar de mannen, zegt Nawijn.

Het had J. misschien eerder kunnen helpen. Ze is heel even op taalles geweest, maar dat werd al snel door haar man verboden. Annemieke, type hulpverleenster met haar op de tanden, knokt intussen bij de instanties. Bij Bureau Jeugdzorg bijvoorbeeld, dat nu eenmaal moet bemiddelen om het getraumatiseerde kind van J. op een medisch kinderdagverblijf te kunnen helpen, maar niet veel verder komt dan te vragen ,,of mevrouw zelf niet aan de telefoon kan komen''. J. kan bij notabene haar eigen schoonfamilie op meer begrip rekenen, zegt Annemieke. J.'s geluk is dat haar schoonfamilie haar vertrek inmiddels accepteert. Haar schoonzuster heeft zelfs toegegeven: ,,Die man is gek.''

De Nederlandse justitie redeneert anders – die heeft de echtgenoot in afwachting van zijn proces na tien dagen vrijgelaten.

*Behalve de bewoonsters worden ook hulpverleensters in de vrouwenopvang soms buiten het huis bedreigd. Daarom ontbreekt op verzoek ook hun achternaam hier.