`Zo ben ik dichtbij Dzjengis Chan'

Of Mongolië's grootste zoon er echt ligt is de vraag, maar het mausoleum van Dzjengis Chan in de Chinese provincie BinnenMongolië is er niet minder indrukwekkend om.

Uit de verte lijkt het alsof er drie vliegende schotels zijn geland in het verlaten Ordos-gebergte van Binnen-Mongolië. De glinsterende, ronde objecten zijn bedekt met oranje en blauw geglazuurde dakpannen. Dit is het mausoleum van Dzjengis Chan, de grondlegger van het Mongoolse wereldrijk.

Volgens de overlevering werd hij geboren met een klont bloed in zijn vuistje geklemd: een voorteken van al het bloed dat er door zijn toedoen vergoten zou worden. Hij wist de verschillende Mongoolse stammen te verenigen en werd in 1206 leider van `alle volkeren die in tenten leven', in Europa beter bekend als de beruchte Gele Horden.

Het Mongoolse rijk strekte zich op zijn hoogtepunt in de dertiende eeuw uit van China, via Rusland en Perzië tot aan de Donau. De kleinzoon van Dzjengis Chan, Koeblai Chan, verplaatste de hoofdstad van het rijk van Harhorin (Karakorum) in het huidige Mongolië naar Peking, waar hij zich uitriep tot eerste keizer van de Yuan-dynastie (1271-1368).

Het pompeuze monument voor de Mongoolse Vader des Vaderlands ligt er uitgestorven bij. Een groepje fors gebouwde mannen met opvallend licht gekleurde ogen komt de trappen van het mausoleum aflopen met bezems in de hand: ze zijn net klaar met de dagelijkse veegronde van het immense terrein rond het mausoleum. Als ze niet steeds opnieuw de bezems ter hand zouden nemen, dan zou het fijne woestijnzand het mausoleum stapje voor stapje in rijtje zandduinen doen veranderen.

De mannen zijn Darkhats, een Mongoolse stam die van oudsher belast is met het bewaken van wat de chan achterliet in de steppen rond Ejin Horo Qi. Ze dragen niet de traditionele Mongoolse kledij, maar leren jasjes, donkere zonnebrillen en zwarte gleufhoeden. Ze leven al jaren niet meer als nomaden, maar wonen in simpele rijtjeswoningen op het terrein van het mausoleum. Ze beheren de souvenirwinkels, waar je Mongoolse kleding, pluche kamelen en schapen, Mongoolse messen en goudkleurige gedenkbordjes met een afbeelding van de chan kunt kopen.

Hun vrouwen beheren het belendende hotel en de nagebouwde gers – tenten van vilt met een houten geraamte waar nomadische Mongolen nog steeds in wonen. Hier bij het mausoleum gaat het om roestige ijzeren constructies waar omheen blauw met witte katoenen lappen zijn gespannen. In de zomer kunnen toeristen er overnachten en eten als ze voor even willen proeven aan het traditionele Mongoolse leven.

Alleen de afgevaardigde van de communistische partij is een Chinees. Hij is meteen ook de belangrijkste functionaris, die moet toezien op naleving van de partijdirectieven voor het beheer van het mausoleum. Het mausoleum zelf valt onder het Culturele Bureau van de stad Yimeng, en ja, ook dat bureau wordt geleid door een Chinees, glimlacht een van de Mongoolse vrouwen fijntjes.

De Mongolen zijn een klein, verdeeld volk. De kleinste groep, zo'n 2,4 miljoen mensen, woont in de republiek Mongolië, drie keer zo groot als Frankrijk. Bijna de helft is nomade. Mongolië was tot in 1990 in feite een vazalstaat van de Sovjet-Unie.

Het merendeel van de Mongolen, zo'n 4,8 miljoen mensen, valt onder het gezag van Peking. Ze wonen in de Chinese provincie Binnen-Mongolië, die in naam zelfbestuur kent. Zij vormen daar met nog geen 20 procent maar een kleine minderheid van de totale bevolking; de overgrote meerderheid is er al jaren Chinees.

,,De mensen uit Mongolië komen wel hier, maar ik ben daar nog nooit geweest. Daarvoor moet je een uitnodigingsbrief hebben, en die krijg je niet zo makkelijk als je er niemand kent'', zegt een Mongool die de Mongools-Tibetaanse tempel ten noorden van Ejin Horo Qi bezoekt. ,,Ze hebben het daar armer dan wij. Ik ben weleens in de grensplaats Erenhot geweest. De treinen die daar de grens overkomen zien er heel armoedig uit. De wagons zijn van hout, niet van ijzer. Maar ja, zij zijn daar in Mongolië wel onder elkaar. Bij ons zitten er altijd Chinezen tussen, ook onder de nomaden op het platteland.''

Veel ambtenaren op strategische posten zijn Chinees. ,,Ze vinden andere dingen belangrijk dan wij. Wij willen elk jaar graag het Naadam-festival houden.''

Dat festival bestaat onder meer uit wedstrijden Mongools worstelen, paardenraces en competities in boogschieten, en het is een gelegenheid voor de nomadische Mongolen om elkaar te ontmoeten. Maar het organiseren van zo'n festival is duur. ,,Zelf hebben we geen geld genoeg om het te bekostigen, en de Chinezen geven geen subsidie. Ze zien er het nut niet van in. Het festival wordt op veel plaatsen al jaren niet meer gevierd'', zegt de man.

,,Ik heb wel veel bewondering voor de Chinezen, want ze hebben er een talent voor om ergens anders te overleven en te aarden. En Mao Zedong was een heel slimme man. Tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) stuurde hij goed opgeleide, ongetrouwde jongeren naar Binnen-Mongolië. Toen ze hier kwamen, hoedden ze onze geiten en schapen. Ze waren heel gedwee en deden alles wat we zeiden. Ze zijn ook heel spaarzaam. Wij hebben dat minder, en bovendien lusten we nog wel eens een borreltje. Na een jaar hadden ze wat geld gespaard, en daarvan kochten ze hun eerste eigen geit. Zo ging dat jaar na jaar, en nu hoeden wij hun geiten in plaats van zij de onze'', vervolgt hij terwijl hij schichtig om zich heen kijkt.

Onder de centrale koepel van het mausoleum staat een immens wit beeld van Dzjengis Chan, net zo'n beeld als dat van Mao Zedong in zijn mausoleum in Peking. De roodgelakte steunpilaren met gouden draken er omheen gedraaid doen denken aan de keizerlijke bouwwerken in heel China, het heeft allemaal weinig Mongools. De muren zijn bedekt met fijn geschilderde, veelkleurige fresco's van Chinese hand die de geschiedenis en de grootsheid van het Mongools-Chinese rijk moeten verbeelden.

Er staan ook gezanten met krullend blonde baarden op die de vhan hun respect komen betuigen.

De Darkhat die in het winkeltje met Mongoolse prullaria bij het mausoleum werkt, zegt dat hij blij is dat hij hier mag werken. ,,Zo ben ik dicht bij de chan, het is immers onze taak om zijn graf te bewaken.''

Wat vindt hij ervan dat het beheer in feite in handen is van de Chinezen? Hij lacht ontwijkend. ,,Koop maar een schaaltje met een afbeelding van de chan, dat is een mooi aandenken'', zegt hij. Even later sluit hij zijn winkel.

Hij zet zijn zonnebril op en stapt op zijn brommer, die geparkeerd staat voor een muur met daarop in het Chinees de leuze: `Respecteer de gebruiken van de minderheden en houd de eenheid tussen de verschillende volkeren in stand.' Dan stuift hij weg, de verlaten Mongoolse steppen in.