Virtueel vaderland

Als de neus van Cleopatra niet zo onweerstaanbaar fascinerend was geweest, zou Caesar haar niet tot koningin hebben gemaakt, en dan had de wereldgeschiedenis een heel andere wending genomen. Eerste vraag: hoe zag die neus er dan uit. Je hebt mooie neuzen die niets fascinerends hebben, en andere die objectief misschien niet mooi genoemd kunnen worden, maar waarvan toverkracht uitgaat. Tot dat type hoorde de neus van Cleopatra, kunnen we ook zonder fotografisch bewijs aannemen.

Haar neus hoort dus tot de historische oorzaken; tot de echte werkelijkheid, van gisteren tot de oerknal, die achteraf bekeken altijd uit een web van oorzakelijk verband blijkt te bestaan. Daarnaast hebben we de virtualiteit van vroeger. Het wat, als....? In die retrospectieve dromen is het oorzakelijk verband veranderd, zonder dat daarmee de waarschijnlijkheid geweld wordt aangedaan. Een Cleopatra met een mopsneus was geen femme fatale geworden, had niet kunnen intrigeren, en dan had u hier iets anders gelezen.

Over de wijde verten van de virtualiteit bestaat een interessant boek, What If? * waarin historici van naam uitleggen hoe Napoleon zijn Waterloo had kunnen vermijden, hoe Hitler de oorlog door een verstandige strategie had kunnen winnen, wat de Assyrische koning Sennachrib in 701 voor Christus had moeten doen om Jeruzalem te veroveren. Als op een regenachtige winteravond die taxichauffeur op Fifth Avenue niet goed had uitgekeken, had hij die onvoorzichtig overstekende man doodgereden. Dan was Lord Halifax premier van het Verenigd Koninkrijk geworden en dan had Hitler de oorlog op een andere manier, door een toeval, gewonnen. Want die voetganger was Winston Churchill. Hoe langer de werkelijkheden geleden zijn, hoe meer het schrijven van dit genre nakaart-scenario's tot een spel wordt. En hoe dichter bij, hoe dramatischer, want hoe meer we er bij betrokken zijn.

Ik vind dat het voor de hand ligt, serieus de vraag te stellen wat er gebeurd zou zijn als Pim Fortuyn niet was vermoord. Dat heeft niets te maken met wat we tegenwoordig zijn `gedachtegoed' noemen. Het gaat over zijn rol als ontmaskeraar van de orde van Paars, als volkstribuun, over al zijn hoedanigheden waaraan het zijn opvolgers mankeert.

Om te beginnen: had zijn partij dan meer stemmen gekregen? Was hij dan, op de vleugels van de volksgunst die hij kennelijk had veroverd, nog steeds machtiger geworden? (Omdat in zo'n geval meer macht nu eenmaal tot nog meer macht leidt, omdat steeds meer mensen op de kar springen). Wat had hij met een, voor Nederland zo groot mandaat gedaan? Was hij meester gebleven over zijn eigen aanhang? Of tot tovenaarsleerling geworden? Hadden de verslagenen zich gehergroepeerd, in plaats van geduldig de kat uit de boom te kijken, waarmee ze nu blijkbaar kunnen volstaan? Was Nederland tot een heksenketel van polarisatie geworden? De straat op? Wat had het leger gedaan? Wat het Staatshoofd? Of was het allemaal toch weer meegevallen, zoals er bij ons tenslotte zoveel meevalt? Had hij na de verkiezingen van zijn roeping afgezien, zoals hij Albert de Booij en Harry Mens al had laten weten. En hadden de massa's daar dan genoegen mee genomen?

Virtuele vaderlandse geschiedenis, niet eenvoudig als tijdverdrijf in hersenspinsels, maar om alle krachten en bekende Nederlanders op de plaats te zetten die ze vandaag zouden kunnen hebben. Als niet... Er zijn wel drie scenario's te schrijven. Om zoiets te kunnen, moet je de politiek van de afgelopen vier jaar redelijk gevolgd hebben, je moet nog grondige voorstudie doen, je moet een flinke verbeeldingskracht hebben met het talent de denkbeeldige toestanden van het vereiste onontkoombare waarheidsgehalte te voorzien, je moet het, kortom, waarschijnlijker kunnen maken dan de werkelijke werkelijkheid. Moeilijk, omdat die al onwaarschijnlijk genoeg is. Wie zou ertoe in staat zijn? Thomas Ross, denk ik, of Theo Capel, René Appel.

Over één probleem zouden de auteurs zich in ieder geval niet het hoofd hoeven te breken. Ze hoeven zich niet voor te stellen hoe iemand onder toezicht van staatscamera's en discussies in de media en de Tweede Kamer, onder verantwoordelijkheid van een door en door christelijke minister van justitie, een langgerekte zelfmoord kan plegen, zodat voorkomen wordt dat hij het eventueel sneller zou kunnen aanpakken waardoor er dan maatschappelijke onrust ontstaat.

*What If? Onder redactie van Robert Cowley, Berkeley Publishing Group, New York 1999.