Nog even in de rol blijven

Bij het buigen na een voorstelling is één acteur de baas: de bukmeester. In de Amsterdamse Stadsschouwburg geven acteurs dit weekeind bij wijze van voorstelling een buigdemonstratie.

Het laatste woord is gezegd, de lichten doven, het doek valt – en dan vervult een van de acteurs de functie van bukmeester. Hij bepaalt hoe vaak er wordt gebogen, wanneer het licht aan- en uitgaat en hoe vaak het doek weer wordt gehaald. Het publiek staat te klappen en hoort niet hoe hij `en... nu!' roept tegen zijn collega's. Of alleen maar: `ja!' Het ziet evenmin hoe hij contact houdt met de eerste inspeciënt die het doven van het licht en het halen van het doek bestuurt. Maar zijn rol is van groot belang. Als hij niet op zijn taak berekend is, verschijnen de dames met de bloemen net op het moment dat het doek weer zakt. Of de acteurs komen nog één keer buigen als er al bijna niet meer geapplaudisseerd wordt.

Titus Muizelaar, acteur en lid van de artistieke leiding bij Toneelgroep Amsterdam, is een goede bukmeester, vindt hij zelf. Maar hij is bij TGA niet de enige: ,,Hajo Bruins en Kees Hulst kunnen het óók.'' Het ideale buigen verloopt naar zijn zeggen volgens de formule 3-2-2: drie maal bukken, licht uit, twee maal bukken, licht uit, en tenslotte, als het applaus blijft aanhouden, nog eens twee maal bukken, licht uit. Slechts bij hoge uitzondering is er aanleiding om daarna opnieuw terug te komen. Als het publiek de acteurs ziet aarzelen over de vraag of het applaus nog kan worden gerekt, heeft de bukmeester de wind er niet goed onder.

,,Eén acteur is de baas bij het buigen'', beaamt Berend Boudewijn, regisseur van vrije toneelproducties. ,,En als het verkeerd gaat, is dat een nachtmerrie. Soms zie je de acteurs nog één keer opkomen, terwijl het applaus al wegsterft en het publiek de zaal verlaat. Dan blijven er zeventien mensen staan om uit de goedheid van hun hart nog een beetje te klappen. Voor de acteurs is zo'n avond prompt volledig verziekt – want het applaus, daar doen ze het allemaal voor.''

Zaterdagavond presenteert Titus Muizelaar in de Stadsschouwburg in Amsterdam een voorstelling waarin niet wordt gespeeld, maar uitsluitend gebogen. Onder de titel De geschiedenis van het bukken demonstreren acteurs als Sigrid Koetse, Kitty Courbois, Halina Reijn, Cas Enklaar en Joop Admiraal, in het kader van de Uitmarkt, hoe ze buigen. Ze danken de bezoekers voor hun aanwezigheid. ,,Ik hoop dat de magie van de voorstelling schuilt in de verschillende manieren waarop de acteurs hun buiging maken. Volgens mij valt daaraan veel af te lezen. Als je Sigrid Koetse van achterop het podium naar voren ziet lopen, zie je de voorstellingen van Sigrid Koetse. En als je Roeland Fernhout naar voren ziet huppelen, zie je de voorstellingen van Roeland Fernhout.''

In de toneelliteratuur is opmerkelijk weinig geschreven over het buigen bij het slotapplaus – het moment waarop het afscheid van spelers en zaal nog even wordt uitgesteld om de wederzijdse spanning een ontlading te geven. Zelfs in de instructieboeken van de toneelreus Konstantin Stanislavski is er niets over te vinden. Eén van de weinigen die er in geschrifte bij stilstond, is de acteur en regisseur Han Bentz van den Berg, in het uit 1958 daterende bundeltje Première. ,,Er moet worden gerepeteerd voor het bedanken, het buigen,'' schreef hij, ,,want dat vormt nadrukkelijk een onderdeel van de voorstelling. Er mag wel blijken, dat de spanningen zijn geweken, maar er dient verband te blijven met hetgeen die spanningen heeft opgeroepen. Het bedanken zij de na-proloog van de voorstelling.''

Triomfantelijk

De ideale buiging is volgens deze opvatting de buiging, waarbij de acteur nog even in zijn rol blijft om zich daar na enkele seconden pas van los te maken. ,,Bij een Griekse tragedie kom je inderdaad niet opgehuppeld'', aldus Berend Boudewijn. ,,Een grote klassieke acteur zou in zo'n geval een heel scala van emoties spelen: aanvankelijk een beetje geschrokken door de ovatie die hem ten deel valt, daarna verbaasd, en dan aangenaam verrast – want eigenlijk vindt hij zelf ook wel dat het een verdiend applaus is.''

Maar de tijden van het grote gebaar zijn goeddeels voorbij. Alleen in opera en musical heerst doorgaans nog de traditionele hiërarchie: eerst het voetvolk op een rij, dan de bijrollen in groepjes van twee of drie, en tenslotte verschijnen één voor één de hoofdrolspelers. In de meeste toneelvoorstellingen staan alle spelers nu op een rij, en de buiging beperkt zich tot een minzaam knikje met hoofd en bovenlichaam. De kniebuiging is verdwenen, evenals de triomfantelijk gespreide armen. De onderlinge rolverdeling manifesteert zich nog wel in de plaatsing: wie staat of staan er in het midden van de rij, en wie vormen de flanken?

Zelfs uit zijn verleden bij toneelgroep Discordia, destijds het summum van gemeenschappelijkheid, herinnert Muizelaar zich dat de hiërarchie niet geheel was uitgebannen. Als hij een hoofdrol had gespeeld, voelde hij soms een duwtje in zijn rug of een tikje op zijn schouder van collega Jan-Joris Lamers. ,,Dat betekende: kom op, naar voren! Het zijn bijna wetmatige instincten – die verschillen niet van elkaar, waar je ook speelt.'' Maar anderzijds weet hij ook nog dat Pierre Bokma na zijn Hamlet-rol bij TGA niet uit het ensemble naar voren wilde stappen: ,,Dat dééd je niet, maar hij stond natuurlijk wel in het midden.''

Nog even in de rol blijven, zoals Bentz van den Berg opperde, kan volgens Muizelaar soms wel nodig zijn: ,,Dan wil je als acteur nog even beschermd blijven. Niet voor niets geldt er in Duitsland een wet dat toneelspelers gedurende het eerste half uur na de voorstelling minder toerekeningsvatbaar zijn, en dus ook minder strafbaar. Maar het gebeurt ook wel eens dat ik een acteur tijdens het applaus nog in zijn rol zie staan, en denk: dit is alleen maar ijdel vertoon.''

Een paar jaar geleden zag Berend Boudewijn in Londen een voorbeeld van het tegenovergestelde: de vermaarde actrice Maggie Smith, die de hele avond een hoogbejaarde dame had gespeeld, stapte daarna onmiddellijk uit haar rol. ,,Tijdens het applaus kwam ze op als een lenige, ranke, trippelende hinde. Om even duidelijk te laten zien, dat ze zelf heus nog niet zo oud was als in de rol.''

Een enkele keer valt nog een afscheid in badjas te beleven. De acteur had eigenlijk niet meer op applaus gerekend en zat al in zijn kleedkamer, zo wil hij suggereren. En des te verraster komt hij dus nu een buiging maken. De cabaretier Youp van `t Hek gooit daar nog een schepje bovenop: niet alleen staat hij aan het eind van zijn optreden in een badjas, maar ook draagt hij een handdoek om de nek. De impliciete betekenis laat zich gemakkelijk raden: de voorstelling was als een bokswedstrijd, en hij heeft zich helemaal gegeven.

De gezamenlijke buiging dient, hoe dan ook, goed te worden gerepeteerd. Ook hierbij doet een oude toneelwet nog opgeld: de buiging wordt pas ingestudeerd als de hele voorstelling in het repetitielokaal zonder onderbreken wordt doorgespeeld (de doorloop), op de middag vóór de eerste try out met publiek. Wie er eerder aan begint, zou het noodlot tarten. De regisseur bepaalt de enscenering, en draagt zijn taak vervolgens over aan de bukmeester. De andere acteurs dienen zich daarin te schikken.

Maar dat lukt niet altijd. Titus Muizelaar maakte in 1971 zijn toneeldebuut in Vijand van het volk bij toneelgroep Globe, en is nog niet vergeten dat daaraan werd meegewerkt door twintig figuranten van een Amsterdamse reünieclub van vroegere artiesten. Tijdens het slotapplaus vormden de acteurs een brede rij, en daarachter stonden de figuranten. Opeens voelde een van de acteurs dat hij van achtereen werd geschopt. ,,Ga weg,'' siste een figurant, ,,je staat in m'n licht!''

De geschiedenis van het bukken, 24/8 in de Stadsschouwburg, Amsterdam, 24.00u. Inl. (020) 6242311, www.uitmarkt.nl