Natuur

Al jaren koester ik de wens om de stad te verlaten en buiten te gaan wonen, het liefst in een huisje aan het water, zodat ik 's ochtends bij de opkomende zon zachtjes plassend voort kan roeien om na een uur van kalme gelukzaligheid terug te keren bij vrouw en kroost, die zojuist zijn aangeschoven aan de ontbijttafel. De kleine rent met uitgestrekte armen op mij toe en moeder trekt haar schort recht als ik binnenkom. Uit het feit dat ik niets doe om deze idylle te verwezenlijken maak ik op dat een andere wens, namelijk om gewoon in de stad te blijven wonen tussen het rumoer, de hoeren en het vuil, uiteindelijk toch sterker is.

Ik ben opgegroeid met het woord van de dichter Bloem dat natuur er is ,,voor tevredenen en legen''. Als het gezelschap waarin ik verkeerde uitstapte om ergens in de bergen te genieten van een mooi uitzicht, mompelde ik altijd verwaand voor mij uit: ,,Geef mij die grauwe, stedelijke wegen, de' in kaden vastgeklonken waterkant''. Wanneer een zacht ei het opgaan in de natuur omschreef als een mystieke ervaring was mijn standaardreactie altijd te smalen over zo veel banaliteit. Ha! Een mens leeft alleen als hij midden in het gewoel staat, als hij reikhalzend kennisneemt van de krant waarin de rampen van de vorige dag breed worden uitgemeten. Het ware leven speelt zich af in een dampende stad die nooit tot rust komt en de stadsbewoner is niets anders dan een bestuurder op zijn eigen, woeste locomotief die door alles verzengend landschap raast.

Zo denk ik er niet meer over. In de loop der jaren ben ik de natuur meer gaan waarderen, overigens zonder mijn liefde voor de stad kwijt te raken. Terwijl de natuur geregeerd lijkt door wetten van een ijle logica, vertegenwoordigt de stad het typisch menselijke: het afwijkende, het absurde, de schoonheid van de vuilniswagen.

Ook in de stad trek ik er elke morgen op uit. Ik maak dan een wandeling op een plein, hier om de hoek. Het plein wordt omringd door hoge, statige huizen. Het bijzondere van het plein wordt echter niet gevormd door de huizen, maar door het gebouw van een kliniek voor verslaafden en geestelijk gestoorden. Dat gebouw bestaat zo lang ik leef en werd in mijn jeugd `de inrichting' genoemd. De dichter Jan Hanlo is er nog verpleegd voor zijn pedofiele neigingen. Als ik langs de kliniek loop, kijk altijd omhoog, naar de met tralies vergrendelde ramen en vraag mij af wat zich daarachter afspeelt.

Midden op het plein ligt een langwerpig plantsoen. Lange tijd is het een verkommerd stukje grond geweest, tot de deelraad in zijn wijsheid heeft besloten het gedeeltelijk te bestemmen voor een kinderspeelplaats. Er kwamen wipkippen in vrolijke kleuren en er werd een grote hangmat geïnstalleerd, waarmee je heen en weer kunt zwaaien, zoals bij een schommel. Er kwam ook een bord: `Verboden voor honden'. Ik ga wel eens op een bankje zitten om de spelende kinderen te volgen, laat vervolgens mijn blik gaan naar een van de getraliede vensters aan de overkant en stel mij voor hoe gelukkig Hanlo zou zijn als hij nu naar buiten zou kunnen kijken.

Het plein wordt regelmatig bevolkt door verwarde mensen. Je ziet in zichzelf pratende vrouwen over het trottoir schuifelen, soms nog gekleed in pyjama. Soms zijn ze overdreven opgemaakt met een lippenstift ter grootte van een verfkwast. Laatst lag een man op de grond. Hij wist uit te brengen dat hij zojuist was ontslagen, maar de overkant van de straat had hij net niet gehaald. In een ambulance werd hij even later afgevoerd. Toen ik naar huis liep, zag ik dat het bord `Verboden voor honden' was verwijderd. De hondenbezitters zullen wel geklaagd hebben.