Natte ogen bij het begluren

Geling Yan is een in Amerika woonachtige Chinese schrijfster die binnen China aanzienlijke populariteit geniet. Ook in het Westen doet haar werk het niet slecht. Al eerder werd een bundel korte verhalen in het Engels vertaald, en nu is er dan deze roman, die ook verfilmd gaat worden. De roman behandelt tegenstellingen tussen de Amerikaanse en Chinese cultuur.

De laatste dochter van het geluk is grotendeels gesitueerd in het Chinatown van San Francisco in de tweede helft van de negentiende eeuw. Hoofdpersoon is de prostituee Fusang, een personage dat geen moment tot leven komt, maar dient als een soort katalysator. Zonder zelf iets te doen en zonder enige verandering te ondergaan, zet zij de gebeurtenissen in gang die leiden tot een driehoeksverhouding tussen haarzelf en twee mannen, die van de schrijfster wèl een persoonlijkheid mogen hebben.

Ten eerste is daar Chris, de onschuldige Amerikaanse tiener die verliefd wordt op Fusang en die in de loop van de roman zowel geestelijke als lichamelijke volwassenheid bereikt. Zijn spiegelbeeld en rivaal is de Chinese gangster Dayong, die geleidelijk verandert van een meedogenloze bruut die babytjes vermoordt, in een norse melancholicus met menselijke zwaktes.

Behalve als katalysator dient Fusang ook als spiegel voor het personage dat de roman vertelt. Deze in Amerika woonachtige, met een Amerikaan getrouwde Chinese vrouw is een amper verhulde weergave van Geling Yan zelf. Deze vertelster dringt regelmatig de vertelling binnen en zij herinnert de lezer bij voortduring aan haar autoriteit als vertelster. Zo beweert zij dat Fusang een historisch personage is en dat haar vertelling gebaseerd is op onderzoek in `honderdzestig geschiedenisboeken'. Tegelijkertijd spreekt zij echter regelmatig Fusang toe, vergelijkt haar situatie met haar eigen situatie, en laat haar dingen doen die niet in de geschiedenisboeken staan. Deze kunstgreep, kennelijk toegepast om de verbondenheid tussen Chinees-Amerikaanse vrouwen van vroeger en nu te benadrukken, had in literaire zin beter kunnen uitpakken als de overpeinzingen van de vertelster diepzinniger waren geweest, en als zij wat meer respect voor haar personage had getoond.

Dit is helaas niet het geval. Een paar voorbeelden: Fusangs werk als prostituee wordt voortdurend op haast ridicule wijze beschreven in termen van schoonheid. De jonge Chris krijgt zelfs `tranen in zijn ogen' van de `harmonie' van de `in- en uitgaande beweging' wanneer hij Fusang en een klant begluurt. Yan zet Fusang bij herhaling neer als een soort oervrouw, de archetypische moederfiguur die alle mannen, en vooral Chris, met haar lichaam verwelkomt. (`...misschien zou hij neerknielen en zijn gezicht tegen haar borsten drukken, zodat hij zich kon laven aan die oeroude, bijna barbaarse moeder die hij al lang geleden in haar had geroken').

Wanneer de verteller commentaar levert op de problemen in de communicatie tussen Fusang en Chris, ziet zij zich genoodzaakt om te bevestigen dat dit een onoplosbare rassenkwestie is (`Eerlijk gezegd zit ik er wat blanken betreft vaak naast met mijn veronderstelling'; `Wat de gedachten van blanken betreft is het verspilde moeite ernaar te raden'). In het voorbijgaan levert de verteller commentaar op de recente Chinese geschiedenis (`Als kind heb ik in China die seksuele activiteit gezien die men de culturele revolutie noemde, en het massale orgasme dat ermee gepaard ging'). Ook filosofeert zij, naar aanleiding van Fusangs beroep, over het lot van de vrouw in het algemeen (`Jezelf verkopen is een zeer rekbaar begrip. Men vindt dat jij jezelf verkocht, maar niet dat vrouwen in mijn tijd zichzelf verkopen [...] Heb ik mezelf niet verkocht? Hoeveel keer heb ik, zonder zin te hebben, als een stuk koopwaar onder het lichaam van een man gelegen?').

Al deze thema's zijn natuurlijk de moeite van een literaire verwerking meer dan waard. Met name de geschiedenis van de hondse behandeling van Chinezen door de Amerikaanse staat en bevolking in de negentiende eeuw, en de lijdzaamheid waarmee de Chinezen dit ondergingen, is uitstekende romanstof. Maar Yan benadert deze thematiek op een simplistische en tendentieuze wijze, die het bij het grote publiek waarschijnlijk goed doet, maar in literair opzicht weinig te bieden heeft. En helaas beschikt zij ook niet over het talent om er in deze roman iets mee te doen dat uitstijgt boven het populistische zwart-wit denken waarvan, zowel in de Chinese als in de westerse maatschappij, al meer dan genoeg in de boekhandels te vinden is.

Geling Yan: De laatste dochter van het geluk. Uit het Chinees vertaald door Marc van der Meer. Cargo, 287 blz. €18,50