Liegen tegen de leegte

In Australië woedt een debat over de vraag of de Grote Australische Roman dan toch bestaat. De vraag is dringend, voor een natie van ballingen en immigranten met een onzekere identiteit. Richard Flanagan schreef een sublieme roman die voor de eretitel in aanmerking komt en die de verbeelding inzet tegen de misdaden van de geschiedenis.

`He's gone off to write the Great Australian Novel.' Het is in Australië een grap, waarmee wordt bedoeld dat de persoon in kwestie bezig is met een onrealistisch, eindeloos durend project dat nooit af zal komen, ofwel grootse plannen heeft, maar er waarschijnlijk niet eens aan zal beginnen. `Writing the Great Australian Novel' heeft dezelfde fantastische klank als `de Mount Everst beklimmen'. De Great American Novel, ja, dat is een begrip, met de grote ideeënromans van Saul Bellow en Philip Roth. Maar de Great Australian Novel (GAN)? Is dat niet een contradictio in terminis?

Toch heeft er in de jaren dertig, veertig en vijftig van de vorige eeuw wel degelijk een debat gewoed over de GAN. Eigenlijk was het een discussie over de gekoesterde Australianness, de Australische identiteit die min of meer gelijkstond aan de blanke pioniersmentaliteit van hard werken en saamhorigheid (mateship), en over de vraag hoe die identiteit het beste in een roman tot uitdrukkingkan komen. Maar sindsdien heerste er een oorverdovende stilte over het onderwerp.

Tot vorig jaar. Tijdens het Sydney Writers' Festival constateerde een criticus dat de GAN niet bestaat. Het concurrende Melbourne Writers' festival reageerde door een wedstrijd uit te schrijven onder de noemer `Think You Can Write The Next Great Australian Novel?'. Er verschenen beschouwingen in de kranten, en sindsdien is het onderwerp niet meer weg te denken uit het serieuze literaire debat. Of het minder serieuze: wie wilde, kon vandaag tot vijf uur 's middags (Melbourne tijd) een A4tje inleveren met de synopsis van een GAN, voor de tweede wedstrijd om de volgende Grote Australische Roman te schrijven.

De Melbournse krant The Age, sponsor van het festival, publiceerde bovendien een aantal maanden geleden een artikel waarin vijf critici en schrijvers gevraagd werd een lijstje samen te stellen met hun tien favoriete GAN's. De individuele voorkeuren werden naast elkaar gelegd, en zo ontstond het volgende lijstje met de tien beste GAN's: The Childrens Bach (Helen Garner); An Imaginary Life (David Malouf); True History of the Kelly Gang (Peter Carey); Short Stories (Henry Lawson); Tree of Man (Patrick White); Such is Life (Joseph Furphy); Cloudstreet (Tim Winton); Captivity Captive (Rodney Hall); The Fortunes of Richard Mahoney (Henry Handel Richardson) en Eucalyptus (Murray Bail). Het debat over de Great Australian Novel, zo was de conclusie, is alive and kicking en misschien is de GAN zelf ook wel weer nieuw leven ingeblazen. Bovendien gaat het debat deze keer niet over de Australische identiteit en de Australianness van de boeken, aldus The Age, maar over hun emotionele weerklank en populariteit.

Uit het lijstje blijkt dat de GAN niet per se dik hoeft te zijn, niet in Australië hoeft te spelen, of zelfs maar een roman hoeft te zijn. Toch heeft The Age het mis wanneer de krant stelt dat het in deze discussie niet over de Australische identiteit gaat. Het is niet voor niets dat het debat over de Great Novel vooral woedt in immigratielanden als Amerika en Australië. Zelfs de roman op het lijstje van David Malouf, An Imaginary Life, die op het eerste gezicht gaat over de ballingschap van Ovidius aan de Zwarte Zee, is een intens Australisch werk dat vragen oproept over ontheemding, de identiteit van de immigrant, de rol die taal daarbij speelt, en het landschap zelf. Malouf stelde vorig jaar in een interview met deze krant: `Voor alle Australiërs is er iets onnodigs, iets verdachts, aan hun aanwezigheid hier. Geen van allen horen we hier, behalve de Aboriginals, en de toevalligheden waardoor we hier zijn beland, blijven toevalligheden.'

Zo'n situatie vraagt om antwoorden, verhalen, herinterpretaties van het eigen bestaan. Aan de ene kant leven immigranten in de uiterlijke, fysieke wereld van het nieuwe continent zelf. Aan de andere kant is er de innerlijke wereld, de oude cultuur, kennis en taal die Europees zijn van oorsprong. Het is daarom cruciaal, volgens Malouf, dat er een soort `vertaling' plaatsvindt van de uiterlijke wereld het land naar de innerlijke. Pas wanneer het land waar je woont ook in de verbeelding gaat leven, kun je zeggen dat je het werkelijk ervaart en bezit. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom er nauwelijks Aboriginal-schrijvers zijn van GAN's (nog afgezien van de sociaal-economische achterstand en de cultuurverschillen): ze zijn al tienduizenden jaren de spirituele bezitters van het continent.

Het concept van de GAN, zo stelde de Sydney Morning Herald afgelopen december in een polemisch artikel, roept belangrijke vragen op over de Australische identiteit. `Als we geen consensus kunnen bereiken over wie we zijn, hoe kunnen we dan de roman die ons definieert herkennen?' Natuurlijk geldt hier impliciet het omgekeerde: het idee dat een algemeen aanvaarde GAN iets te zeggen heeft over wie de Australiërs nu zijn. Zo draaiden de meest geliefde boeken uit het begin van de twintigste eeuw, zoals de romans van Miles Franklin en Henry Lawson, vooral om harde bestaan op het land, om fatalisme en blanke samenhorigheid en vriendschap. Dit stoere pioniersethos bepaalde tot op grote hoogte zowel de Australische maatschappij als de literaire conventies, maar liefst totdat Patrick White verscheen, die in 1973 de Nobelprijs won dankzij romans als The Tree of Man en Voss, waarin de onderkant van de samenleving een stem kreeg.

Sindsdien zijn er talloze Australische romans geschreven waarin die andere stem te horen was, aboriginal, vrouwelijk of homoseksueel. Het tekende het verdwijnen van het ene, gemeenschappelijke Australische wereldbeeld, dat versplinterde in een postkoloniale veelvoud van stemmen die ieder hun eigen niche innamen binnen de Australische literatuur. Maar, zo stelt althans de Morning Herald, deze versnippering van visies en verhalen ging ten koste van de grote ideeënromans, zoals die bijvoorbeeld nog wél worden geschreven in Amerika, met als resultaat een Australische `fiction of banality'.

Wie kijkt naar belangrijke recente Australische romans, moet concluderen dat dit laatste echt onzin is. Er is een aantal steeds terugkerende, belangrijke en soms pijnlijke ideeën en thema's die ten grondslag liggen aan bijna alle GANs van nu. Het aloude fysieke gegeven van het land zelf, bijvoorbeeld, en wat voor effect het land heeft op de identiteit van de mensen die er wonen. Alleen al het feit dat de seizoenen er omgedraaid zijn en de tropische hitte maakten, volgens schrijvers als Malouf, dat Europese immigranten niet konden vasthouden aan hun oude manier van leven.

Belangrijker nog voor eigentijdse schrijvers is de omgang met het verleden, en de misdaden uit het verleden. Dat zijn de misdaden van de veroordeelden die op transport werden gesteld, het onmenselijke gevangenissysteem waaraan ze onderworpen werden, en bovenal de misdaden van de kolonisten jegens de Aboriginals, die variëren van verdrijving van hun land tot regelrechte, doelbewuste genocide. Een aantal van de ergste excessen had plaats in Tasmanië, waar rond 1850 de complete inheemse bevolking werd uitgeroeid. `Je kunt je geen idee vormen van Australië zonder te begrijpen dat onze geschiedenis intrinsiek verbonden is met misdaad,' zei de Tasmaanse schrijfster Chloe Hooper. Hooper, die eerder dit jaar debuteerde met A Child's Book of True Crime, een verdienstelijke roman over een ware en een ingebeelde misdaad op Tasmanië, schreef ook: `Onze plaatselijke geschiedenis is de oer-true crime story, en in boek na boek stapelen de lijken zich op.'

Hoewel veel Australiërs nog altijd graag zouden willen geloven dat de ooievaar ze heeft gebracht, aldus Hooper, of dat hun geschiedenis begint rond 1880, geven de interessantste schrijvers van nu zich in hun werk bewust rekenschap van dat zwarte verleden. Als motto bij True History of the Kelly Gang koos Peter Carey bijvoorbeeld de bekende regels van William Faulkner: `The past is not dead. It is not even past.' In dit boek wekt hij de legendarische outlaw Ned Kelly weer tot leven door hem in zijn eigen woorden zijn verhaal te laten opschrijven voor het dochtertje dat hij nooit gezien heeft. De roman werd bekroond met de Booker Prize (Carey's tweede).

Ook in het algemeen gaat het nu goed met de Australische roman. Zo staat Tim Winton met zijn nieuwe roman Dirt Music op de longlist van de Booker Prize. Dirt Music is een vlot geschreven liefdesverhaal-met-complicaties, en bevat tal van adembenemende beschrijvingen van het West-Australische landschap. Het boek vertelt het verhaal van Georgie, een vrouw van achter in de dertig, die de verveling over haar bestaan met een weduwnaar en zijn twee zoontjes in een vissersdorpje bij Perth probeert te verdrijven met wodka en internet. Op een ochtend komt ze de plaatselijke stroper tegen, Fox, nadat die een aantal fuiken heeft leeggehaald, en in een opwelling gaat ze met hem mee. Maar wanneer haar man Jim, de ongekroonde koning van het dorp en type ruwe bolster, zwarte pit, erachter komt, wordt de hond van Fox vermoord, zijn truck in brand gestoken, en verdwijnt Fox zelf naar het nauwelijks bewoonde, ruige noorden van de staat. Daar verandert de roman in een soort New Age-bespiegeling over het woeste natuurschoon, en hoe daarin te leven. Enige diepgang is ver te zoeken. Ondanks de fraaie evocatieve beelden kan Dirt Music daarom niet echt een GAN worden genoemd, daarvoor is het verhaaltje te dun, en zijn de preoccupaties van Wintons personages te beperkt.

Een ander pas verschenen boek, Gould's Book of Fish van Richard Flanagan, is echter alles wat een Great Australian Novel kan zijn, en nog veel meer. Het werd al bekroond met de Commonwealth Writers Prize. Gould`s Book of Fish is dan ook een sublieme roman, die haast uit zijn voegen barst van de originaliteit. Daarnaast is het ook een buitengewoon frustrerend boek, door de postmoderne spelletjes die Flanagan speelt, zijn gewild archaïsche stijl, de vele uitweidingen, de literaire verwijzingen en grapjes: er is niet zozeer sprake van een omgevallen boekenkast, als wel een omgevallen complete bibliotheek van de westerse literatuurgeschiedenis. En tenslotte is het een boek waaraan je, eenmaal bij het einde aangekomen, meteen weer van vooraf aan wilt beginnen, om te begrijpen wat je nu eigenlijk hebt gelezen.

Net als Carey in True History of the Kelly Gang ontleende Flanagan zijn motto aan Faulkner, maar het zijne geeft een wereld van verschil aan: `My mother is a fish'. Beide schrijvers baseerden zich op een historisch document, Carey op de enig overgeleverde brief die er bestaat van Ned Kelly, Flanagan op het echte Gould's Book of Fish, een verzameling schilderijen van vissen van de gedetineerde en kunstenaar William Buelow Gould (te zien in de Allport Library and Museum of Fine Arts op Tasmanië). Maar waar Carey volgens een recensent de mythe weer tot realiteit maakte, zou je van Flanagan kunnen zeggen dat hij de realiteit tot mythe heeft gemaakt. Beide schrijvers laten hun held zelf zijn verhaal vertellen Kelly in 13 pakketten van `bevlekte papieren met ezelsoren', Gould schrijft in verschillende kleuren inkt om de schilderijen van twaalf vissen heen. Terwijl Carey de pretentie heeft waarheidsgetrouw te zijn, is Flanagans verteller verraderlijk en hopeloos onbetrouwbaar.

In het eerste hoofdstuk maken we kennis met de verteller, Sid Hammet, die in het Tasmanië van nu zijn brood verdient met het vervalsen van antieke meubels, door stukken oud rottend meubilair op te kopen, erop in te hameren, ze af te schuren, eroverheen te urineren, en ertegen te schreeuwen, alsof het de rijke Amerikaanse toeristen zijn voor wie hij ze maakt. Op een dag vindt Sid in een oude rommelwinkel een boek dat, wanneer hij over de kaft veegt, gaat gloeien en paars oplichtende vlekken afgeeft aan zijn handen. Het heet Gould's Book of Fish en Sid raakt zo geïntrigeerd dat hij het koopt, niet op kan houden met lezen, en het overal mee naartoe neemt. Het is het soort boek `dat nooit echt begon en nooit echt eindigde'. Regels tekst lopen in verschillende kleuren inkt om aquarellen van vissen heen, in alle richtingen, losse stukjes papier zijn er ooit ingevoegd, soms is zelfs tussen de regels door in omgekeerde richting geschreven. Het blijkt het verhaal te zijn van William Buelow Gould, die in de beruchte gevangeniskolonie van Sarah Island op Tasmanië in 1928 de opdracht had gekregen van de plaatselijke chirurgijn om, in het belang van de wetenschap, vissen te gaan schilderen, en van de gelegenheid gebruik had gemaakt om dit illegale dagboek bij te houden.

Deskundigen aan wie Sid het boek laat zien, weigeren te geloven dat het echt is, ondanks positieve carbontesten en ondanks de historische figuur van Gould, omdat het verhaal dat het vertelt te zeer afwijkt van wat bekend is over die periode. Maar Sid neemt het boek serieus. Zo serieus, dat wanneer het op een gegeven moment verdwijnt en alleen een plasje zout water achterlaat, hij besluit om het verhaal uit zijn geheugen opnieuw op te schrijven. En dat is dus het Book of Fish dat we te lezen krijgen vanaf bladzijde 41 – heel toevallig ontbreken ook de eerste veertig bladzijden van Goulds memoires.

Die memoires bieden een krankzinnig beeld van het leven in een Tasmaanse strafkolonie aan het begin van de negentiende eeuw. Gould schrijft met inkt die hij maakt van wat toevallig voor handen is bloed, stront zittend in een fish cell die twee keer per dag onderstroomt met zeewater, en hij verbergt de papieren in een spleet in de muur. Zijn dagboek vertelt hoe hij in Tasmanië terecht kwam en hoe hij leerde schilderen: `Het was mijn eerste grote kunstzinnige les: koloniale kunst is het komische trucje van het nieuwe neerzetten als oud, het onbekende als het bekende, het antipodische als het Europese, het verachtelijke als het respectabele.'

De kolonie wordt bestuurd door een maniakale Commandant, zelf een ontsnapte gevangene, die er een Nova Venezia van wil maken. Tot dit doel voert hij handel met passerende Japanse schepen in walvissenolie, zijden tulbanden en Siamese meisjes, laat hij een National Sarah Island Railway Station bouwen, plus een grote Mah-Jong hal met achttien koepels. De Commandant heeft ook een Aboriginal-maitresse, Twopenny Sal, met wie Gould een affaire begint. Na vele bizarre avonturen ontsnapt Gould tenslotte, met medeneming van het archief van de kolonie dat, zo heeft hij ontdekt, louter leugens bevat over vooruitgang en verlicht bestuur. De annalen belanden op de crematiestapel van een Aborigines tracker, die in een felle bosbrand omslaat, en de kolonie uiteindelijk vernietigt.

Gould's Book of Fish is een verhaal dat Rabelais, Sterne, García Márquez, Swift, Dickens, Joyce, Melville, Walt Whitman en nog heel wat andere schrijvers in herinnering brengt, in zijn uitbundigheid, humor, archaïsche verteltrant en ouderwetse horror. In het terloopse opmerken van de grootste gruweldaden, om dan weer optimistisch over te gaan tot de orde van de dag, doet het boek nergens zoveel aan denken als aan Voltaire's Candide. Voltaire is dan ook, onder meer in de vorm van een leeghoofdige buste die als parfumflesje dienst doet, een steeds terugkerend onderwerp in het verhaal. Ook de kwestie van wetenschap versus het mysterie van de natuur is een terugkerend thema. De chirurgijn met zijn wetenschappelijke ambities wordt opgegeten door zijn eigen varken, duikt weer op als een ontzagwekkende hoop onwelriekende stront, wordt weggemoffeld door Gould in een vat met schedels van Aboriginals, en eindigt tenslotte als MH-36 in het wetenschappelijke boekwerk Craniae Tasmaniae, het onomstotelijke bewijs voor de gedegenereerdheid van het ras van de Aboriginals.

Verder gaat dit immer buiten zijn oevers tredende boek onder meer over geschiedenis en het vervalsen daarvan, over droom en werkelijkheid, het noodlot, de kunst, transformatie in alle mogelijke betekenissen, over vissen, water, en bovenal over het boek zelf. Het staat bol van de duizelingwekkende Borgesiaanse spelletjes: het boek komt in het verhaal zelf voor, Gould leest over zichzelf en over Sid, Sid leest over Gould, en het einde grijpt direct terug op het begin van het verhaal. Het verhaal is een reflectie op het schrijven van het verhaal zelf, ja zelfs op het schrijven van de Great Australian Novel. `The Book of Fish may have had its shortcomings – even if I wasn't willing to admit to them but it had never struck me as being sufficiently dull-witted and pompous to be mistaken for national literature', denkt Sid aan het begin, wanneer `deskundigen' hem feliciteren met zijn vervalsing en hem aanraden het te publiceren.

Een ironische zelfbewuste opmerking, want Gould's Book of Fish is niet alleen een onmiskenbare Great Australian Novel, het tilt zelfs het hele begrip naar een ander niveau. `Alles wat er mis is met dit land begint in mijn verhaal: ze hebben deze plaats verzonnen, vanaf het moment dat de Commandant begon Sarah Island opnieuw uit te vinden als Nova Venezia, als het eiland van vergetelheid, want alles is makkelijker dan herinnneren', zegt Gould op de laatste pagina, `[...] want elk verhaal is beter dan de droevige waarheid dat het niet de Engelsen zijn die ons dit aangedaan hebben maar wijzelf.'

Gould's Book of Fish belichaamt de hernieuwde relevantie van de Great Australian Novel: literatuur als medium voor onbarmhartig zelfonderzoek; verzinsels als tegenwicht tegen de leugens van de geschiedenis, fantasie als middel om de waarheid te vertellen. En het biedt in een particulier relaas een gemeenschappelijk verhaal van Australië, waarin alle Australiërs, ongeacht hun afkomst, zich kunnen herkennen. Of, zoals Gould uitroept in een lange tirade, met slechts een kleine knipoog naar de schepper van Madame Bovary: `Ik was Australië.'

Richard Flanagan: Gould's Book of Fish. A Novel in Twelve Fish. Atlantic Books, 404 blz. €29,95. In oktober verschijnt bij uitgeverij Anthos de vertaling Het boek van Gould.

Tim Winton: Dirt Music. Picador, 461 blz. €31,99. Uitgeverij De Geus verwacht in de herfst van 2003 een vertaling te publiceren.

Chloe Hooper: A Child's Book of True Crime. Jonathan Cape, 238 blz. €22,95. Vertaald als: Een verzonnen verhaal over een waar gebeurde moord. Vassallucci, 208 blz. €16,95