KUNST MOET RAMMELEN

,,Ik wil schoon schip maken, helemaal opnieuw beginnen'', zegt schilder Rob van Koningsbruggen aan de vooravond van zijn overzichtstentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum.

Rob van Koningsbruggen (Den Haag, 1948) staat in het midden van zijn atelier en slaakt een diepe zucht. ,,Eigenlijk is het een gebed zonder eind, dat schilderen'', zegt hij. Om hem heen staan talloze doeken gereed voor transport naar het Gemeentemuseum in Den Haag, waar Van Koningsbruggen in september een overzichtstentoonstelling heeft. De kunstenaar, gekleed in een groen jasje, bretels en een witte bloes waar grijs borsthaar bovenuit steekt, haalt zijn nieuwste werk tevoorschijn en zet het tegen de muur. Het is een metersgroot vierkant schilderij zonder duidelijke voorstelling of compositie. Het bestaat uit tientallen kleuren die schijnbaar achteloos naast en over elkaar heen gezet zijn. ,,Ik heb er een jaar aan gewerkt'', vertelt hij. ,,De laatste tijd was de inspiratie op.''

Al dertig jaar lang werkt Van Koningsbruggen in hetzelfde atelier in de Amsterdamse Jordaan en heeft hij dezelfde dagindeling.'s Ochtends slaapt hij uit. Vervolgens wandelt hij naar het atelier, steevast vergezeld door Rosa, zijn drie jaar oude foxterriër. Om vijf uur wordt de werkdag afgesloten met een pilsje. In de tussenliggende uren moet er kunst gemaakt worden. Maar juist dat schilderen valt hem de laatste tijd zwaar. Het grootste deel van de dag zit Van Koningsbruggen op een bed in een hoek van zijn atelier en kijkt vanuit zijn ooghoeken naar de schilderijen die op de ezels staan. Af en toe staat hij op om een likje verf aan een van de doeken toe te voegen. Tussendoor leest hij de krant, kijkt televisie, speelt een bluesmelodietje op een van zijn vijf gitaren of maakt een ommetje met de hond.

,,Vroeger maakte ik gemiddeld een schilderij per week'', zegt hij met vermoeide stem. ,,Als je jong bent, zijn je hersens elastisch. Dan kan je zo mooi van de hak op de tak springen. Maar tegenwoordig verloopt mijn ontwikkeling traag. Moedeloos word ik ervan. Ik kan zo jaloers zijn op mensen die iedere dag kunnen schilderen. Al is het dikwijls allemaal troep wat ze maken, ze doen het toch maar. Het liefst zou ik zijn zoals Picasso, die op latere leeftijd als een razende ging schilderen.''

Zijn laatste grote tentoonstelling had Van Koningsbruggen in 1996 in de Stadsgalerij Heerlen. Twee jaar later volgde nog een presentatie van nieuwe werken in Galerie Onrust in Amsterdam, maar daarna werd het opvallend stil rond de schilder. ,,Ik werd gewoonweg niet meer uitgenodigd'', verklaart hij. ,,Vroeger had ik nog wel eens een groepstentoonstelling, maar tegenwoordig draait alles om het werk van jonge kunstenaars. Zodra je veertigplusser bent, word je aan de kant gezet. Dat heeft niets te maken met de kwaliteit van je werk. Voor veel verzamelaars is kunst toch een vorm van speculatie en jonge kunstenaars zijn interessanter omdat ze goedkoper zijn.''

Gefrustreerd over dit gebrek aan aandacht maakte hij in oktober 1998 een ansichtkaart met de tekst `In Nederland bestaan drie soorten kunstenaars: jonge, dooie en buitenlandse' en stuurde die de kunstwereld rond. Een half jaar later uitte hij opnieuw zijn ongenoegen in een aangepaste versie van de tekst, waaraan hij een vierde categorie kunstenaars had toegevoegd: de vriendenclub. Van Koningsbruggen: ,,Netwerkjes uitpluizen is mijn hobby. Ik erger me al dertig jaar aan de kliekvorming rondom personen als Rudi Fuchs. Al die museumdirecteuren apen elkaar na. Er zijn er maar weinig die kwaliteit kunnen herkennen. Om een gezonde kunstwereld te krijgen, zou iedereen na zeven jaar de banden met elkaar moeten verbreken. Duurt het langer, dan gaat het stinken.''

Breiwerken

Als een van de vertegenwoordigers van de `fundamentele schilderkunst' kende Rob van Koningsbruggen zijn grootste successen in de jaren zeventig. Beïnvloed door zijn grote voorbeeld Jan Schoonhoven begon hij omstreeks 1970 met het maken van tekeningen waarin hij eenvoudige vormen (driehoeken en vierkanten) of triviale teksten (`de koe staat in de wei' of `de weg was recht, de weg was krom') eindeloos herhaalde tot er zelfstandige structuren ontstonden. Ook maakte hij kleine breiwerken van wol en schilderijen waarbij hij de kwast in de verf doopte en van links naar rechts over het ongeprepareerde doek leegstreek. Het waren de hoogtijdagen van de conceptuele kunst en Van Koningsbruggen leverde zijn bijdrage door aan te tonen dat ook schilderkunst conceptueel kon zijn. ,,Een kunstwerk wordt altijd gedragen door een idee'', zei hij in 1975. ,,Als dat goed is, dan is het een mooi schilderij. De mentaliteit bepaalt of de verf er mooi op zit.''

Die gedachte voerde hij consequent door in de zogenaamde `geschoven schilderijen' die hij tussen 1974 en 1979 maakte. Door twee of meer doeken met verf te bestrijken en deze langs elkaar heen te schuiven maakte hij schilderijen die als het ware zichzelf schilderden. De handeling duurde nog geen minuut per schilderij, maar leverde wel verrassend mooie beelden op, met in elkaar vloeiende kleuren die toevallige vegen en vlekken op het doek vormden. Maar, haastte Van Koningsbruggen zich er altijd bij te zeggen: het is het idee dat telt, niet het resultaat.

De rigoureuze alles-of-niets-aanpak van de schuifschilderijen leverde Van Koningsbruggen de reputatie op van een dwarse, radicale kunstenaar. In de oeuvrecatalogus die bij de tentoonstelling in het Gemeentemuseum verschijnt, wordt hij zelfs een van de extreemste schilders genoemd die Nederland ooit gekend heeft. Hij kan er wel om lachen. ,,Toen ik begon met die schuifschilderijen had ik niet het gevoel dat het extreem of revolutionair was wat ik deed. Ik dacht niet: nu ben ik de Che Guevara van de schilderkunst. Wel dacht ik dikwijls: wat raar dat andere mensen nooit op het idee gekomen zijn. Het lag zo voor de hand. Niet veel later begon Gerhard Richter te experimenteren met verf die met behulp van planken of spatels over het doek getrokken werd. Blijkbaar hangen dat soort ideeën op een gegeven moment in de lucht. Zelf denk ik dat hij die werkwijze van mij gejat heeft, maar bewijs dat maar eens.''

In de jaren tachtig zette Van Koningsbruggen een punt achter zijn conceptuele werkwijze en begon hij weer op een traditionele manier, met een kwast op het doek te schilderen. Tijdens het maken van de geschoven schilderijen had hij ontdekt dat er door menging van geel, rood en blauw een diepe kleur zwart ontstond. Het was het begin van een jarenlange zoektocht naar het zwartste zwart en naar de miljoen andere kleuren die het menselijk oog kan onderscheiden een onderzoek dat tot op de dag van vandaag voortduurt. Figuratieve vormen, zoals zandlopers en taartvormige kleurencirkels, deden hun intrede op de schilderijen. Bovendien kregen de werken zowaar een schilderachtig karakter doordat in de verftoetsen het handschrift van de kunstenaar af te lezen was. ,,Het idee achter mijn schilderijen is niet meer onaantastbaar'', sprak Van Koningsbruggen in 1985. ,,Ik heb schilderijen gemaakt die vanuit eenzelfde idee zijn ontstaan en waarvan ik achteraf denk: die is goed, en die minder. Zo kom je erachter dat een schilderij ook nog aan bepaalde visuele eisen moet voldoen.''

Welke eisen dat zijn, vindt hij moeilijk te benoemen. ,,Ik houd van rammelende schilderijen, van schilderijen zonder harmonie'', zegt hij. ,,Het belangrijkste is dat de werken steeds weer veranderen, dat er sprake is van vernieuwing. Tegenwoordig heb ik geen concreet plan meer als ik aan een nieuw werk begin. Het ene schilderij komt gewoon uit het vorige voort. Het is een vrij intuïtief proces. Soms kijk ik naar een schilderij en denk ik: getverdemme wat is dat toch voor de hand liggend. Dan raak ik geïrriteerd, want mijn schilderijen mogen absoluut niet voor de hand liggend zijn. Dan blijf ik er net zolang aan werken tot het beeld niet meer vanzelfsprekend is. Ik heb veel schilderijen verpest, omdat ik er te lang aan bleef sleutelen. Laatst las ik een mooie uitspraak van Karel Appel. Hij zei: `Ik kijk mijn schilderijen af.' Dat vind ik een mooie gedachte. Maar blijkbaar ben ik daar toch nog te jong voor, want ik heb nog steeds een kwast nodig om mijn schilderijen af te maken.''

Ook de nieuwste schilderijen van Van Koningsbruggen lijken niet gemaakt om de toeschouwer te behagen. De taartpunten en kegels die in vroegere werken nog enigszins houvast boden, zijn opgelost in dromerige wolken van kleur. De vrolijke tinten verleiden, maar zijn ook weerbarstig omdat ze zo volstrekt willekeurig over het doek lijken te zweven. Het zijn ondoorgrondelijke schilderijen die volledig op zichzelf staan en geen enkel raakvlak hebben met bestaande schilderkunstige conventies.

Op de vraag of het hem niet stoort dat alleen een select en elitair publiek deze schilderijen zal begrijpen en waarderen, antwoordt hij bars: ,,Kunst, en zeker de abstracte schilderkunst, is elitair. Er zijn maar weinig mensen die het snappen, en weinig mensen die het kunnen maken. De meeste toeschouwers zijn plaatjeskijkers.'' Maar, voegt hij er vervolgens droogkomisch aan toe: ,,Toch denk ik dat mijn publiek steeds groter wordt. Er komen ieder jaar gemiddeld twee bewonderaars bij.''

Zijn tentoonstelling in het Gemeentemuseum beschouwt hij als een soort thuiskomst. Van Koningsbruggen groeide op in Den Haag en ging als jongen van zestien regelmatig naar de schilderijen van Jawlensky en Klee kijken. In die tijd maakte hij ook zijn eerste stillevens, in het atelier van zijn oom, die kunstschilder was. Vervolgens meldde hij zich aan bij de Koninklijke Academie in Den Haag, waar hij al na drie maanden weer vanaf geschopt werd, volgens eigen zeggen omdat hij te goed was.

,,Al na een paar weken wist ik dat ik hooguit anderhalf jaar op de academie wilde blijven. Behalve goed natekenen leerde je er alleen maar dingen waar je niets aan hebt. Kunstenaar worden is toch een kwestie van talent hebben. Academies zijn handig voor de praktische bijzaken: je bent niet alleen, je kunt met anderen over je werk praten en je kunt goedkoop materialen aanschaffen. Maar je kennis haal je uit musea en catalogi. Ik heb mijn opleiding in het Haags Gemeentemuseum gehad.''

Zijn interesse voor de hedendaagse kunst heeft Van Koningsbruggen inmiddels verloren. Sinds de schilderkunst in de jaren tachtig afsloeg in de richting van de Nieuwe Wilden, After Nature en graffiti, is hij zijn eigen weg gegaan. In zijn atelier, afgezonderd van de buitenwereld, zwemt hij in zijn eentje tegen de stroom in en trekt hij zich niets aan van de laatste modes. Van Koningsbruggen: ,,Ik zou niet weten welke hypes er nu aan de gang zijn. Ik ga haast nooit meer naar tentoonstellingen. Als ik op de televisie iets zie over de Documenta in Kassel, krijg ik niet het gevoel dat ik daar naartoe moet. Bij dat soort evenementen zijn het de samenstellers die de rol van de kunstenaar overnemen. De Documenta is een soort wereldtentoonstelling geworden, waarbij de kunstenaars hun werken in opdracht van de curator maken. Haal je zo'n kunstwerk uit de context van de tentoonstelling, dan blijkt het maar een mager dingetje te zijn. Het lijkt me een onmogelijke taak om een Documenta te maken met goede hedendaagse kunst. Er zijn geen richtingen of stromingen meer. De conceptuele kunst was misschien wel de laatste echte stroming. Tegenwoordig is de enige constante dat iedereen met video werkt.''

Midlifecrisis

Opeens staat hij op van zijn divan en begint te zoeken tussen de stapels boeken en papieren die op zijn bureau liggen. ,,Wist je dat ik ook een video gemaakt heb?'', roept hij. De band stamt uit het begin van zijn carrière en toont twee handen die aan het breien zijn. Iedere keer dat de woldraad over de breinaald glijdt, mompelt een monotone stem de woorden `Ik schiet geen steek op.' En dat honderden malen achter elkaar. De oude videobeelden vormen achteraf bezien een metaforische illustratie van de loopbaan van Rob van Koningsbruggen. De kunstenaar die denkt dat hij niet vooruit komt, bouwt intussen toch stapje voor stapje aan een samenhangend oeuvre dat als een weefsel in elkaar grijpt. Kijkend naar de zwartwitbeelden zegt hij somber: ,,Toen ik twintig was, dacht ik dat ik mijn beste werk zou maken als ik dertig was. Toen ik dertig was, hoopte ik dat het zou komen als ik veertig werd. Nu ben ik in de vijftig en besef ik dat het misschien nooit meer lukt. Of dat ik mijn beste werk al gemaakt heb.''

Onlangs vond hij een nieuw atelier in het Noord-Hollandse Den Oever. Daar, te midden van de landerijen, hoopt hij zijn midlifecrisis te boven te komen: ,,Het is de hoogste tijd om schoon schip te maken. Ik wil daar proberen opnieuw te beginnen. Ik hoop dat ik nog één keer zo'n grote stap kan maken als destijds met die geschoven schilderijen. Wie weet wat een verandering van omgeving kan doen. Je hoort vaak over kunstenaars die op reis gaan en met een totaal ander kleurgebruik terugkeren. Hier in Amsterdam kan ik alle scheuren in de muren uittekenen. Na dertig jaar is mijn atelier besmet gebied geworden. Dat straalt toch op je af.''

Van Koningsbruggen zucht nog maar eens diep en zegt dan: ,,Door deze tentoonstelling sta ik even twee maanden in de schijnwerpers. Daarna is het weer afgelopen en duurt het opnieuw zeven jaar tot de volgende tentoonstelling. In de tussentijd moet ik maar weer iets nieuws zien te schilderen. Kunstenaar zijn is een idioot beroep. Het is net een fuik: je begint eraan en op een gegeven moment kan je niet meer terug. In mijn fantasie heb ik al zo vaak het bijltje erbij neergegooid en een echte baan gezocht. Maar ik kan niet eens typen. Bovendien houd ik, ondanks alles, van schilderen en van de schilderkunst. En gelukkig ben ik geen vijfentwintig meer. Ik hoef nog maar twintig jaar.''

Rob van Koningsbruggen. 28 sept.t/m 8 dec.in Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41. Di t/m zo 11-17u. Catalogus (Ludion, 176 p.) €39,50.