Ik speel graag zielige vrouwen

Ook in haar bijrollen trekt Tjitske Reidinga altijd de aandacht op het toneel. Volgens haar omdat ze `een raar lichaam en een opvallende stem' heeft. Dit seizoen maakt ze haar filmdebuut.

`Fiep Westerdorp poppetje'. Zo werd actrice Tjitske Reidinga (30) een paar keer genoemd in recensies. Met haar drukke, onhandige motoriek, de fladderende lange ledematen, de X-benen, en het hoofd voor de schouders, lijkt ze inderdaad op de poppetjes die Westerdorp tekende bij de verhalen van Annie M.G. Schmidt. Reidinga: ,,Het is niet bepaald een glamourtitel. Nadat ik dat drie keer had gelezen, besloot ik toch maar eens te gaan werken aan de beheersing van mijn ledematen. Het Fiep-tijdperk probeer ik nu af te sluiten. Hoewel ik vaak complimenten krijg over mijn fysieke spel, ben ik fysiek nooit sterk geweest. Ik heb een hekel aan sport. Beesten sporten toch ook niet?''

Hoewel de blonde Friezin - geboren in Leeuwarden, opgegroeid in Malawi - tot nu toe vooral bijrollen speelde, weet ze iedere keer de aandacht op zich te vestigen. Vorig seizoen werd haar spel in Wie is er bang van Virginia Woolf? bekroond met de Colombina, de prijs voor de beste bijrol. Eerder trok ze de aandacht met de rol van Jet in de theaterversie van Ja zuster, nee zuster. Vanaf 3 oktober is ze weer als Jet te zien, in de speelfilmversie. Verder speelt ze komend seizoen in een absurdistische komedie van Topor, Da Vinci en de drol. Voor het eerst werpt ze zich dit seizoen op een serieuze, dragende rol, als Hedda Gabler bij de Theatercompagnie.

In de oorspronkelijke tv-serie Ja zuster, nee zuster (1966-1968) van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink, speelt Jet een geringe rol, als één van de verlegen bewoners van zuster Klivia's rusthuis. Voor de succesrijke theaterversie die Rieks Swarte en Pieter Kramer in 1999 maakten voor het Ro Theater, werd de rol wat meer aangekleed. Reidinga wist Jet met een bakvishuppel onvergetelijk te maken. Reidinga: ,,Ik had in het Theaterinstituut een opname met een liedje van Jet gezien. Een blonde vrouw huppelde stijf de bosjes in. Dat heb ik overgenomen. Het stijve contrasteerde mooi met mijn eigen flodderigheid. Verder heb ik de hoge stem en het overarticuleren uit die tijd gebruikt: `Het wordt een miéterse fuif!'''

Afgezien van een kleine rol in De zeemeerman - waarin ze de body double van Joke Bruys was - is Ja zuster, nee zuster Reidinga's filmdebuut. Voor de filmversie werd de rol van Jet nog groter gemaakt, voornamelijk om Reidinga in beeld te brengen als een Franse filmster uit de jaren zestig. Regisseur Pieter Kramer plaatst zijn film niet alleen in de traditie van Annie Schmidts kneuterige huiskamerrealisme. Hij maakte ook een pastiche op een ouderwetse Hollywood musicalfilm, met showballetten en Technicolor-kleuraccenten. Daarin passen mooi uitgelichte close ups van Reidinga's reine gelaat met de grote rode mond en de wangen heet van liefdestranen. Haar blonde haar gaat schuil onder donkere sixties-pruiken, model Mary Quant-helm.

Reidinga: ,,Regisseur Pieter Kramer wilde me hebben voor de Franse filmmomenten. Ik word nooit gevraagd als mooie vrouw, dus ik vond het geweldig. Al die prachtige jurkjes. Kramer is een visueel regisseur. Een van zijn ideeën was dat overal een rood kruis op moest staan omdat zuster Klivia verpleegster is. Zelfs op mijn zakdoekje staat een mini-kruisje. Toen ik een huilscène speelde, onderbrak Kramer me en zei: `Tjits, je moet wel met het kruisje naar vóren huilen.'''

Blok beton

De Jet uit het theater kon niet zomaar worden overgeplant naar de film: ,,Ik dacht altijd dat ik tevéél was voor het witte doek. Dat mijn extraverte spel, mijn wilde bewegingen, niet zouden werken op film. Ik ben geen neutraal actrice die iedereen kan zijn. Bij screentests probeer ik wel eens een neutrale uitstraling te hebben. Maar ik zie er dan uit als een blok beton.'' In Ja zuster, nee zuster is Reidinga er wel degelijk in geslaagd om haar spel rustig en klein te houden. Haar benenwerk komt nauwelijks in beeld. Reidinga: ,,Pieter Kramer zei steeds: `Iets minder, Tjits.' ''

Reidinga heeft een grote komische gave. Ze heeft een wat treurige, verontschuldigende oogopslag en een lijzige stem; een ontwapenend mengsel van een noordelijk accent en een Gooise Kinderen-voor-Kinderen-dictie. Ze is meester in het neerzetten van wat ze zelf `éénhersencellige, sneue vrouwen' noemt. Daarmee is echter niet gezegd dat ze altijd dezelfde vrouwen speelt. Ze speelde ook Marilyn Monroe die de relativiteitstheorie uitlegt aan Einstein in Sterrenstof; een poezelig dienstmeisje dat een bitchy straathoer wordt in De ziekte die jeugd heet; en een junk die haar baby laat sterven in de theaterversie van Trainspotting. Reidinga: ,,Dat was een geweldige tijd, maar na een paar maanden op mijn aderen kloppen, had ik het wel gehad met die negatieve junkiesfeer. Ik werd iedere avond als zwangere vrouw in elkaar gerost, terwijl de zaal joelde, en even later zat ik bij een waxinelichtje heroïne te mimen.''

Het beste voelt Reidinga zich thuis bij regisseurs Pieter Kramer en Rieks Swarte, met wie ze samenwerkte in Ja zuster, nee zuster: ,,Rieks Swarte schept een wereld die mij aanspreekt; een wat kinderlijke, naïeve speelgoedwereld, waarin roze stoffers moeiteloos in poedels veranderen. Bonte avonden, lekker fröbelen met karton. Bovendien is hij een vormgever, geen acteursregisseur, zodat ik als actrice grote vrijheid heb om zelf wat te bedenken.

Haar rol van Honey in Wie is er bang voor Virginia Woolf? was op papier een kleine. Honey en haar man komen op bezoek bij het legendarische ruzie-echtpaar George en Martha (Wil van Kralingen en Edwin de Vries). Ze dienen vooral als toeschouwers, boksballen, en als contrast: om te tonen hoe een normaal huwelijk eruitziet. Maar Reidinga maakte van Honey een krachtige bijrol, neurotisch, vol humor en tragiek. Reidinga: ,,Veel mensen zeiden: `het was een niksige rol, maar jij hebt er iets van gemaakt.' Maar dat is onzin. Op de toneelschool was Honey al een van mijn favoriete rollen. Honey is als toeschouwer de brug tussen het stuk en de zaal. Mijn uitgangspunt was: hoe voelt het als je in een groep wordt neergezet met mensen die niets met jou hebben. De rol ligt dicht bij mijzelf. Ik kom gewoon onbevooroordeeld bij Martha en George binnen, net als het publiek. Ik ga zitten – Hallo, ik wil dat wel drinken – en laat dan zo'n avond over me heenkomen. Honey is de enige die primair reageert op wat er gebeurt. De anderen hebben allemaal van die spelletjes en vormen. Edwin de Vries vond dat Honey ook een spel speelde. Hij zei steeds: `Honey is héél doortrapt, een kreng van een vrouw die weet waarmee ze bezig is.' Die aanwijzing heb ik maar genegeerd.''

Bij de uitreiking van de Colombina ging Reidinga, net als bijna iedereen, er vanuit dat de prijs naar Anne-Will Blankers zou gaan, voor haar bijrol in Lied in de schemering. Tijdens het etentje vooraf zat Reidinga naast Monique van de Ven, die daar was omdat haar man Edwin de Vries de Louis d'Or kreeg voor zijn hoofdrol in Virginia Woolf. Reidinga: ,,Ze zei: `maar wat als jij hem nu wél krijgt? Wat ga je dan zeggen? Moet je dat niet opschrijven?' Ze gaf me papier en pen. Het briefje deed ik in mijn schoen omdat er geen zakken in mijn jurk zaten. Toen ik op het podium stond, moest ik het dankwoord uit mijn pump peuteren.''

Rare smaakmakers

Reidinga heeft het geluk dat ze altijd van de critici een eervolle vermelding krijgt, al is haar rol klein, en zijn ze verder niet te spreken over voorstelling. ,,Reidinga is de enige die de clichés overstijgt'', schrijven ze dan. Of: ,,In het heelal van Sterrenstof schittert maar één ster en dat is Reidinga.'' Zelf weet ze niet precies waarom ze altijd opvalt: ,,Misschien omdat ik een raar lichaam en een opvallende stem heb.'' Daaraan kan toegevoegd worden dat ze vaak de grappigste speler op het podium is, dat ze haar personages een bepalend kenmerk geeft, zoals het huppetje van Jet, en dat ze een krachtige uitstraling heeft.

Reidinga is gek op bijrollen. Het lijkt of ze liever ieder jaar een Colombina voor een dienende rol zou krijgen, dan één keer een Theo d'Or voor een grote rol. Reidinga: ,,Dat heeft te maken met een afkeer van verantwoordelijkheid. Het lijkt me vreselijk om een voorstelling te moeten dragen. In een bijrol zit ik in een veilig tussengebied en heb ik ruimte om wat aan te klooien. Ik vind bijrollen interessanter. Hoofdrollen zijn normale mensen, de personages eromheen zijn de prikkelende, rare smaakmakers. Bovendien speel ik graag zielige vrouwen en die hebben vaak niet de hoofdrol.

,,Laatst zat ik op een opname voor het tv-programma Klokhuis te wachten samen met acteur Joost Prinsen. Ik zat in een konijnenpak koffie te drinken, hij keek televisie. Ik was net gevraagd voor de hoofdrol in Hedda Gabler. Ik vroeg aan hem: `Hoe moet dat nou? Ik ben toch geen koele prachtige vrouw in een serieus drama? Ik zou mezelf nooit als Hedda Gabler casten.' Maar Joost Prinsen zei: `Je bent nu Honey geweest, Jet, junk, Monroe, variété-artiste, Trojaanse vrouw. Het wordt tijd dat je grote rollen gaat doen. Jij hebt een schop onder je kont nodig.'

,,Later dacht ik: ik heb er geen zin in, maar hij heeft wel gelijk. Ik moet nu maar eens aan het diepe werk beginnen. Ik heb begrepen dat regisseur Theu Boermans er bovenop zit, dat hij precies bepaalt hoe je elke zin moet zeggen. Ik hoop maar dat ik dat red. Ik ben heel benieuwd hoe ik dat ga spelen, een ijzige vrouw die over de fjorden staart.''

`Ja zuster Nee zuster' vanaf 3 okt. in de bioscoop. `Hedda Gabler' van De Theatercompagnie, tournee vanaf 13 jan., inl. 020-520 5310. `Da Vinci en de drol' van Toneelschuur Producties, tournee vanaf 10 april. Inl. 023-532 8450.