Holland gunde zich geen Voltaire

De Verlichting lijkt voorbijgegaan aan het 18de-eeuwse Nederland. Een decadente Pruikentijd waarin men teerde op de Gouden Eeuw. Maar dat valt alleszins mee, zo blijkt uit een enthousiasmerende studie. Er heerste hier wel degelijk een uniek cultureel klimaat.

In de recente enquête van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde kwam de achttiende eeuw niet al te best uit de bus. Op de vraag welke periode in het onderwijs de meeste aandacht verdiende, werd zij door slechts 3,3 procent van de deelnemers genoemd. In de canon van klassieke auteurs kwamen niet meer dan zeven achttiende-eeuwers voor: Betje Wolff en Aagje Deken op 19, en – beduidend lager in het klassement – Pieter Langendijk, Willem Bilderdijk, Justus van Effen, Hiëronymus van Alphen, Jacob Campo Weyerman en (hoewel zij vrijwel uitsluitend in het Frans schreef) Belle van Zuylen.

Voor menigeen is de achttiende eeuw nog altijd de `pruikentijd', een eeuw van decadentie en potverteren na de hoogtijdagen van de Gouden Eeuw. Historici en neerlandici doen al ettelijke decennia hun best dit negatieve beeld – een erfenis van de negentiende eeuw – te corrigeren, maar tot nu toe met weinig succes buiten de eigen vakkring. De oude vooroordelen leven onbekommerd voort: de achttiende-eeuwse literatuur zou te zeer onder Franse invloed hebben gestaan of zij zou juist te provinciaals zijn geweest. Terwijl de Verlichting in het buitenland voor ongekende vernieuwing en elan zorgde, zou daarvan in Nederland maar weinig te merken zijn geweest.

Lees Nederlandse literatuur van de Verlichting (1670-1830) van André Hanou, hoogleraar oude letterkunde in Nijmegen, en het is duidelijk dat dit beeld niet kan worden gehandhaafd. Hanou is helaas geen stilistisch genie, maar zijn eruditie en enthousiasme maken veel goed. Hij weet je de indruk te geven dat er nog veel te ontdekken valt. Overal ziet hij ruimte voor `onderzoek', voor `ten minste een half dozijn dissertaties' of voor `een reeks symposia'. Ook al zit het publiek misschien niet precies op deze aanbevelingen te wachten, ze suggereren in elk geval beweging, dynamiek.

Van het mogelijke onderzoek is overigens al het nodige verricht. Vorig jaar bijvoorbeeld publiceerde Marleen de Vries een mooie dissertatie (Beschaven!) over de literaire genootschappen tussen 1750 en 1800, en eerder dit jaar kwam Inger Leemans met een interessant proefschrift (Het woord is aan de onderkant) over radicale ideeën in een tiental Nederlandse pornografische romans uit de periode 1670-1700. De door Leemans onderzochte romans vallen buiten de achttiende eeuw, maar niet buiten de Verlichting tenminste als Jonathan Israel gelijk heeft, die in zijn Radical Enlightenment (2001) de wortels van de radicale Verlichting zoekt bij Spinoza en diens kring.

Prikkelend

Wat alleen nog altijd ontbreekt is een studie van de literatuur en het literaire leven in de tijd van de Verlichting, die de resultaten van het reeds verrichte onderzoek in een welsprekende synthese samenvat en van een prikkelende visie voorziet. Hanou's boek blijkt die studie niet te zijn; in weerwil van de titel, zoals hij zelf toegeeft. Het gaat om een bundeling van eerder gepubliceerde lezingen en artikelen, die wèl tal van bruikbare elementen voor zo'n synthese bevatten.

Het aardige is dat Hanou zich niet tot de canonieke auteurs en hun werk beperkt. Een ander, rijker beeld van de `lange' achttiende eeuw komt uit zijn bundel naar voren. We maken onder meer kennis met de laat zeventiende-eeuwse literaire reiziger Cornelis de Bruyn, met het de hele achttiende eeuw door populaire genre van de `imaginaire reis' (waarin Hanou de ontwikkeling van het vrijheidsbegrip nagaat), met het journalistieke weekblad Janus (1787) dat in de woelige patriottentijd probeerde `boven de partijen' te staan, met een curieuze ode aan de jojo (in de late achttiende eeuw een grote mode), met Gerrit Paape en diens De knorrepot en de Menschenvriend (1797), met Jan Kinkers Brieven van Sophië aan Mr. Rhynvis Feith (1807) en met Kinkers epos De wereldstaat, een Kantiaanse reactie op Bilderdijks orthodox-christelijk geïnspireerde epos De ondergang van de eerste wareld uit 1809.

Steeds is Hanou erop uit de `eigen cultuur van de Nederlandse Verlichting' recht te doen. Een cultuur met onmiskenbaar christelijke trekken, maar toch ook met volop ruimte voor nieuwe geluiden. Vooral binnen de talrijke genootschappen (waaraan Hanou aandacht besteedt in enkele artikelen) was men druk in de weer de wereld via het verlichte woord te verbeteren. De resultaten zijn misschien minder spectaculair en extreem dan in Frankrijk, maar dat is nog geen reden om ze niet serieus te nemen. De Verlichting blijkt tenslotte niet alleen uit de aanwezigheid van enkele briljante philosophes; ook de anonieme burger, die `over zijn microscoop gebogen zit, dan wel voortschrijft aan een vertoog over het recht van de vrouw op educatie' behoort volgens Hanou tot de Verlichting.

Onwillekeurig krijgt de Nederlandse Verlichting zo wèl allereerst een cultuurhistorisch belang. Minder evident is haar literaire betekenis voor de lezers van nu. Van de romans van Voltaire, Montesquieu of Diderot kan iedereen nog altijd moeiteloos genieten. Hun stijl, hun humor en hun thematiek, hoewel typisch achttiende-eeuws, zijn niet hopeloos verouderd. Of dat ook geldt voor de auteurs die Hanou behandelt, is nog maar de vraag. Neem Jacob Campo Weyerman, aan wie Hanou maar liefst drie artikelen in zijn boek heeft gewijd.

Weyerman, een van de productiefste auteurs van de vroege achttiende eeuw, was een onstuimige persoonlijkheid met een navenante stijl. Alles wat je over hem leest, wekt onmiddellijk nieuwsgierigheid. Maar ga je hem zelf lezen (mede dankzij de Stichting Jacob Campo Weyerman is er de laatste jaren het nodige van hem heruitgegeven), dan valt het eerlijk gezegd tegen. Op zichzelf kan over zijn proza veel goeds worden gezegd: het is ironisch, polemisch, barok, rijk aan wonderlijke beelden en daardoor soms zeer verrassend; maar het zit ook zo vol verwijzingen naar allerlei nauwelijks bekende contemporaine personen en gebeurtenissen, dat een uitvoerige annotatie noodzakelijk wordt om te kunnen snappen waarover de schrijver het heeft. En dan heb ik het nog niet eens over het archaïsche taalgebruik, dat alle oude Nederlandse literatuur parten speelt.

In de enquête van de Maatschappij wordt Weyerman genoemd als een van de achttiende-eeuwse klassieken die ten onrechte vergeten zijn. Dat het onverstandig is hem te vergeten, akkoord; in hoeverre hij tot de echte klassieken moet worden gerekend, daarover valt te twisten. Het waarmerk van het klassieke is toch – heel simpel gezegd – dat je er nog altijd plezier aan kunt beleven. Bij weekbladen als Den Vrolyke Tuchtheer (1729) of Den Laplandschen Tovertrommel (1731) die Weyerman in zijn eentje volschreef, lukt dat volgens mij alleen na je eerst zeer grondig te hebben verdiept in de omstandigheden waaronder deze teksten zijn ontstaan, terwijl zelfs dan (ook Hanou moet dat erkennen) onduidelijk blijft vanuit welke `visie' het allemaal werd geschreven.

Misschien is het unfair om Weyerman te spiegelen aan Voltaire, Montesquieu of Diderot. Niet zo ongerijmd daarentegen lijkt me de vergelijking met een mindere godheid als Louis-Sébastien Mercier, toneelschrijver en auteur van talloze journalistieke schetsen over het alledaagse leven in de Franse hoofdstad (onder meer verzameld in zijn Tableau de Paris, waaruit een kleine selectie een paar jaar terug werd vertaald voor het Privé-Domein van de Arbeiderspers). Helaas springt ook bij die vergelijking het niveauverschil in het oog.

Kantianen

Tot nu toe is dit eigenlijk steeds mijn ervaring geweest met Nederlandse schrijvers uit de achttiende eeuw: historisch de moeite waard, veel minder suf en sloom dan gedacht, maar geen serieuze partij voor hun collega's uit Frankrijk, Engeland of Duitsland. Zelfs de literaire hoogtepunten (zie de canon van de Maatschappij) halen het niet bij hun buitenlandse equivalenten, ongeacht of je nu let op literaire of op filosofische kwaliteit.

Samenvattend komt het hierop neer: we hebben wel knappe Kantianen gehad (Kinker, Van Hemert) maar geen Kant, waarbij voor `Kant' zowat elke andere grote achttiende-eeuwse schrijver of filosoof kan worden ingevuld. Aan het eigen karakter van de Nederlandse Verlichting doet dat intussen niets af. Het eigene zit immers niet zozeer in filosofisch of literair genie, als wel in een uniek historisch en cultureel klimaat, dat aan een internationaal verschijnsel als de Verlichting ook een onvervreemdbaar Nederlands gezicht heeft gegeven. Bij André Hanou krijgen we dáárvan een aantal boeiende nieuwe kanten te zien – gelukkig zonder dat de kwaliteitsverschillen met het buitenland al te roekeloos uit het oog worden verloren.

André Hanou: Nederlandse literatuur van de Verlichting (1670-1830). Vantilt. 287 blz. €22,50