`Graf niet in China maar Mongolië'

Ligt Dzjengis Chan eigenlijk wel echt in Ejin Horo Qi begraven? Ja, zegt men hier. Volgens een legende zou de chan op een van zijn tochten hebben gezegd dat hij begraven wilde worden op de plek waar nu het mausoleum staat. Toen zijn ondergeschikten na zijn dood met het lijk op een paardenkar door het gebied reden, bleef een van de wielen steken in het zand. Daardoor herinnerde men zich zijn woorden weer, en hij werd ter plekke begraven.

Maar ook Chinese deskundigen geven toe dat hij hier waarschijnlijk niet ligt. Toch stak China al zo'n tien miljoen yuan (1,3 miljoen euro) in de restauratie van het monument. Wat beweegt de Chinezen ertoe om op zo'n afgelegen plek zo veel geld te steken in een monument voor een notoir wrede heerser, wiens kleinzoon het Chinese rijk onder de voet liep en de Chinezen onder het Mongoolse juk bracht? Dat heeft alles te maken met de Chinese interpretatie van wie de Mongolen waren en zijn: geen apart volk, maar een onvervreemdbaar onderdeel uit van het grote Chinese rijk. Koeblai Chan, de kleinzoon van Dzjengis, stichtte de Yuan-dynastie, die door de Chinezen gezien wordt als een Chinese dynastie met een keizer afkomstig uit een van China's inheemse minderheidsvolkeren. De Mongoolse veroveringen zijn `dus' Chinese veroveringen geworden, en het Mongoolse rijk vertegenwoordigt China op z'n machtigst.

De Mongolen in Mongolië zien dat anders. Daar is Dzjengis Chan het boegbeeld van de nationale trots. Toen China in september 2000 meldde dat nu eindelijk het `echte' graf van Dzjengis Chan gevonden was in het district Qinhe in het noorden van de Chinese provincie Xinjiang, weigerden de Mongolen zich gewonnen te geven. In augustus 2001 meldden zij het graf te hebben gevonden op zo'n 320 kilometer ten noordoosten van de hoofdstad Oelan Bator. Opgravingen zijn nog niet begonnen, mede omdat veel Mongolen weerstand voelen tegen het verstoren van de laatste rustplaats.

Het is overigens zeer wel mogelijk dat er helemaal geen graf van Dzjengis Chan ís. Sommige specialisten wijzen erop dat de nomadische Mongolen aanvankelijk geen grafcultuur hadden. Ten tijde van Dzjengis Chan zouden ze hun doden eenvoudigweg hebben achtergelaten op de plek waar ze stierven.