Geregeld uitgalmen

Een tijdgenoot schreef honend over `de grove zinnelijkheid en verregaande verdierlijking des Publieks, hetwelk gewoonlijk, of ook nu en dan, den Schouwburg bezoekt'. Andere ooggetuigen sloten zich daarbij aan; zij vonden dat het Amsterdamse theater veel te veel rekening hield met de slechte smaak van het publiek en het toneel zodoende had veranderd in een `schandkraam van vreemde vodden'. En zo ontstond in de geschiedschrijving al te gemakkelijk het beeld, dat het Nederlandse toneel halverwege de negentiende eeuw ernstig in verval was geraakt – ten prooi aan `smaakbedervend' repertoire, dat het `bedaard en fatzoenlyk publiek' met niets dan walging vervulde.

Dat is op zijn minst veel te ongenuanceerd, betoogt Henny Ruitenbeek in haar proefschrift Kijkcijfers – een grondig onderzoek naar de bezoekcijfers van de Amsterdamse schouwburg tussen 1814 en 1841. Terwijl tot dusver vooral is geleund op artikelen in gespecialiseerde bladen als De tooneelkijker en Het tooneelklokje, heeft Ruitenbeek die kritieken afgezet tegen meetbaar materiaal: de kaartverkoop per voorstelling, het aantal voorstellingen per stuk, en de mate waarin bepaalde stukken – blijkbaar wegens groot succes – van jaar tot jaar weer op het repertoire werden gezet. Ook maakt ze gebruik van de recensies in het Algemeen Handelsblad.

Kijkcijfers is het resultaat van veel gedetailleerde berekeningen en legt ook, zoals het een proefschrift betaamt, uitvoerig verantwoording af van de onderzoekmethoden. Geen wonder dat de leesbaarheid daaronder lijdt. Maar het boek wemelt wel van de wetenswaardigheden, die een boeiend beeld oproepen van het toneel van toen. Het gaat over de grote toneelspelers Andries Snoek en Joanna Cornelia Zienis-Wattier, over het toenmalige emplooi-systeem (de gewoonte om acteurs uitsluitend voor één bepaald soort rollen te engageren), de meest gespeelde schrijvers (de volstrekt vergeten A. van Kotzebue was de onbetwiste favoriet), de populairste genres en de onderverdeling in publieksgroepen.

Al eerder beschreven, maar toch weer opmerkelijk zijn de maatstaven die destijds golden. De acteurs werden vooral beoordeeld op hun techniek; in hun houding verlangde men een balans in de tegengestelde stand van de verschillende lichaamsdelen (de zogenaamde contrapost) en in hun voordracht een `geregelde uitgalming boven de gewoone spraak'. Verder diende een toneelvoorstelling volgens De tooneelkijker in de eerste plaats voor de `verbetering van het menschelijke hart'. Daaruit volgde, dat het gebodene verheffend moest zijn: het goede moest zegevieren over het slechte.

Tenslotte constateert Henny Ruitenbeek dat er veel meer onderzocht zou kunnen worden. `Ik heb geen zicht gekregen op wat het publiek van een voorstelling vond, hoe zij ernaar keek, óf en hoe het haar raakte', schrijft zij. Maar intussen heeft ze aan de bestaande geschiedschrijving heel wat kunnen toevoegen, en dat is ook wat waard.

Henny Ruitenbeek: Kijkcijfers. De Amsterdamse Schouwburg 1814-1841. Verloren, 526 blz. €45,–