Gered uit een moeras van gebabbel

Denk ik aan Marie Kessels, dan schiet al snel een van die intrigerende zinnen uit haar debuut Boa (1991) door mijn hoofd. Hoofdpersoon van die roman is een vrouw die een lange monoloog afsteekt over haar leven. Zij heeft zich een hele zomer teruggetrokken in haar huis om haar leven te bezien. Zij is vervuld van hevige gedachten en hartstochtelijke liefdeswensen. De man op wie zij verliefd is, komt haar maar mondjesmaat opzoeken en dat bevalt haar helemaal niet. Het lukt haar niet om hem uit haar hoofd te zetten. Uiteindelijk verbindt ze droom en dood op een even wonderlijke als geestige manier met elkaar in dit krachtige voornemen: `Morgen zal ik hem te voorschijn wachten.'

Er gebeurt welbeschouwd praktisch niets in het werk van Kessels. Er wordt alleen maar eindeloos gedacht, gepiekerd, gepeinsd en overwogen. Dat denken is bij haar een actieve, bijna explosieve aangelegenheid, zoveel opwinding gaat er steevast mee gepaard. In Het nietigste, haar vijfde boek, dat het midden houdt tussen roman, essay en verhalenbundel, is zoals altijd een vrouw aan het woord die een leven leidt zoals Marie Kessels dat zelf lijkt te leiden. Voorzover we althans weten uit de schaarse biografische informatie die er over haar is: een schrijvend leven, afgewisseld met een baantje bij een stationskiosk.

Die vrouw, een nogal zwijgzaam type, leidt een ogenschijnlijk kalm bestaan, maar in haar hoofd kolkt en bruist het van woede, verbazing, ergernis en ook van pure levenslust. Zij is op zoek naar zoiets als de grondslag van het leven en onderwerpt daartoe alles wat zij ziet, hoort en meemaakt aan een onderzoek. Zij beschrijft het vermorzelen van een spin en de onverwachte wederopstanding van het harige dier. Ze verheugt zich over de aanwezigheid van een muis op de werkvloer. Ze verbaast zich over de zich altijd maar voortreppende mens. Ze overweegt het verschil tussen de woorden `ieder' en `elk' en maakt dan een krachtige keuze voor `ieder'. Zoals Van Ostaijen zijn Marc ooit de dingen 's morgens liefdevol liet begroeten, zo laat Kessels haar heldin een waar gevecht aangaan met de ochtend. Het aanbreken van de dag wordt afwisselend voorgesteld als een berg die moet worden beklommen, als een paard dat bereden dient en als een beest dat door het raam naar binnen springt. Op elke bladzij worden we herinnerd aan de kloof tussen de stille buiten- en de bewogen binnenkant van de vrouw. `Wie zo gesloten, zo maskerachtig is als ik', zo heet het in een van de 125 korte hoofdstukken, `weet soms geen raad met het vuur dat in hem brandt'.

Het nietigste past goed in het eigenaardige, springerige oeuvre van Kessels. `Tot het uiterste gearticuleerde boeken hebben altijd mijn haat gewekt', laat ze haar woordvoerster ergens halverwege pinnig opmerken. Ik snap wel ongeveer wat ze daarmee bedoelt, hoewel het haar zelf bepaald niet ontbreekt aan uitdrukkingsvaardigheid en haar stijl is een lust voor oog en oor: levendig, gevarieerd, verzorgd, geestig. Zij wil boeken die niet af zijn, die te raden overlaten, die niet onder één hoedje te vangen zijn. Het nietigste is ook zeker geen kunstwerk uit één stuk, maar eerder een hoekig geval, bescheiden en brutaal tegelijk, ingehouden en opruimend, verstild en luidruchtig. Een rustgevend verhaal voor het slapengaan zal men er niet in aantreffen. Kessels alter ego vertelt niet zozeer – zij betoogt, zij wikt en weegt, zij nuanceert, observeert en analyseert. Over de wereld en de mens doet zij scherpe, soms ontluisterende uitspraken. Haar grondhouding is die van wat je een gezond wantrouwen zou kunnen noemen, tegen alles wat vaststaat en normaal wordt gevonden. Haar ideaal, paradoxaal genoeg voor een schrijfster, is het zwijgen.

In het allereerste hoofstuk legt de ik-figuur een soort beginselverklaring af, die ietwat etherisch aandoet. Als de mensen er het zwijgen toe doen, zo valt in deze verklaring te lezen, dan komt de wereld zelf – voorgesteld als een trillende, lichtgevende, ondoordringbare massa – tot spreken. `Ik laat de woorden los, ik geef het praten eraan en tuimel angstig en verrukt in een reusachtige vrije ruimte, en op hetzelfde ogenblik ontbloot de werkelijkheid zich voor me.'

Vervolgens moeten er, volgens het wat tegenstrijdig klinkende credo, dan toch weer woorden aan te pas komen om `de allerkleinste fragmenten' van die ontblote werkelijkheid vast te leggen.

Ik denk dat Het nietigste in zijn geheel gezien moet worden als een poging om onopgemerkt gebleven verschijnselen aan het licht te brengen, `weg uit het moeras van de welbespraaktheid en het gebabbel'. Om nietige, of nietig geachte dingen draait het steeds, zoals het verlangen naar een leeg hoofd, het ontstaan van een idee, de uitdrukkingskracht van verse woede, de begerenswaardigheid van de wang, het krimpen onder een schattende blik, de voordelen van staan boven zitten tijdens kantooruren, het gevoel in afwachting te leven van een naderende catastrofe, de glans van mannenzweet en het redeloze gekwebbel van vrouwen onder elkaar.

Het is wel een beetje ironisch dat aan Marie Kessels begin dit jaar de Anna Bijnsprijs werd toegekend voor `de vrouwelijke stem' in haar werk, want op veel liefde voor de vrouw of haar stem valt zij in Het nietigste niet te betrappen. In het hoofdstuk `Onder vrouwen', gloedvol gestileerd en akelig herkenbaar, laat zij geen spaan heel van de manier waarop vrouwen soms ervaringen met elkaar delen. `Al pratend merken we hoe het schrikwekkende terugwijken van de relevantie wordt gesust door de zoete hegemonie van het irrelevante, enorme taalgolven met witte schuimkoppen erop die onmacht verraden en lust, de lust van vrouwen onder elkaar telkens wanneer ze er eens goed voor gaan zitten om ervaringen uit te wisselen.'

Dit is maar een van de voorbeelden van het teveel dat Kessels heldin met hand en tand en met veel mooie woorden probeert te bestrijden. Van alles is er, in onze wereld althans, te veel: te veel keuze, te veel bezittingen, te veel woorden, te veel gedachten. Zij houdt een pleidooi voor `stomme levenskracht', voor nietige zaken, die niet meer zijn dan ze zijn en geen nader commentaar behoeven. Met enig ontzag wordt af en toe een zekere Ligthart opgevoerd, een goede vriend, die tot het zwijgzame, onconventionele, autonome ras behoort en die overduidelijk geen schrijver is. Hij heeft genoeg aan een partijtje golf, aan het meemaken van een fikse regenbui of aan het zien van een goudvink, of een waterhoentje met negen jongen.

Moeten we bang zijn dat Marie Kessels zijn voorbeeld zal volgen en op den duur ook genoeg zal hebben aan golfbaan, regen, mist of watervogels? Ik hoop het niet en ik denk het ook eigenlijk niet. Ik vermoed dat zij behoefte zal blijven houden aan een soort gedachtenwisseling met haar lezers, hoe indirect ook, en verslag zal willen blijven doen van het vele dat haar hoofd en hart in beroering brengt. Wel kan ik me voorstellen dat haar volgende boek fragmentarischer en nog minder anekdotisch zal zijn dan het huidige, maar daar is weinig op tegen.

En als dat volgende boek toch dreigt uit te blijven, dan zullen we het te voorschijn moeten wachten.

Marie Kessels: Het nietigste. De Bezige Bij. 238 blz. €19,50