Een ziek land, maar niet ernstig

Het onderwerp is eigenlijk een beetje passé: de medicalisering van de samenleving. Dat riekt naar enkele decennia geleden, toen velen zich in de voetsporen van Foucault en andere theoretici bezighielden met de opkomst van wat toen nog onomwonden de `medische macht' heette. Veelal gebeurde dat in termen van een ambitieuze, om niet te zeggen machtshongerige medische stand aan de ene kant en een tamelijk willoze, maar gestaag uitdijende cliëntèle aan de andere.

Dat beeld is inmiddels bijgesteld. Met de machtshonger van de medici viel het bij nader inzien mee. In plaats daarvan bleek er heel geregeld sprake van terughoudendheid en regelrechte onwil. Ook bij de passiviteit van de nieuwe medische klantenkringen werden kanttekeningen geplaatst. Nieuwe medische etiketten voor groepen mensen die ooit als zondig of misdadig werden bestempeld – homoseksuelen, criminelen, drankzuchtigen, geesteszieken – werden niet zomaar opgedrongen. De alliantie met de medische wetenschap werd door deze nieuwe patiëntengroepen soms zelfs nadrukkelijk gezocht.

Afgelopen november stond het onderwerp weer even volop in de schijnwerpers tijdens een symposium in Leuven, waarvan de bundel De zieke natie de neerslag vormt. Het gaat in dit boek vooral om een specifieke variant van medicalisering, zo valt uit de inleiding op te maken, namelijk om de medicalisering van het maatschappijbeeld, of anders gezegd: om het gebruik van medische metaforen in het `maatschappelijk vertoog' in Nederland en België tussen 1860 en 1914, een periode waarin de geneeskundige en aanverwante beeldspraak inderdaad opvallend populair was. De samenleving was een lichaam, zo viel in talloze analyses en beschouwingen te lezen, en dat lichaam kon ziek of gezond zijn, symptomen vertonen of zijn aangetast door deze of gene kwaal. De zelfbenoemde dokters van het fin de siècle beoordeelden de toestand van de natie doorgaans als ernstig: overal ontwaarde men degeneratie en in de maatschappij heersten misstanden die als kankergezwellen voortwoekerden en die een rigoureus ingrijpen – een therapie, een operatie – noodzakelijk maakten.

De impact en draagwijdte van dit verbale medische machtsvertoon worden in verschillende bijdragen onder de loep genomen. De opkomende sociologie is het sterkste in de ban geweest van het organische denken. Zij werd er in haar jeugdjaren een tijd lang geheel door beheerst. De economen waren er veel minder vatbaar voor, terwijl er in de politieke arena, zo constateert Ido de Haan in zijn bijdrage, helemaal geen sprake was van een opleving van medische metaforiek omstreeks 1900. Het politieke denken was hier de gehele negentiende eeuw al van doordrongen. Wel constateert De Haan een verdringing van medische door biologische beeldspraak, met implicaties voor de opvattingen over politiek leiderschap. Een ziekteproces vereist ingrijpen en de medische beeldspraak legitimeerde dan ook een klasse van daadkrachtige bestuurders en hervormers. Biologische begrippen als evolutie en degeneratie duidden daarentegen op processen die niet of nauwelijks waren te beïnvloeden, waarmee eerder een houding van politiek fatalisme in de hand werd gewerkt.

Volkskracht

Jo Tollebeek traceert het medisch-path- ologische en biologische vocabulaire in de vaderlandse geschiedenis en stuit daarbij al snel op het begrip `crisis' dat, losgeweekt van zijn medische oorsprong, in historische kring furore maakte. Verder was vooral de historische cultuurkritiek doorspekt met medische terminologie, waarmee historici hun bezorgdheid over nationaal verval en afnemende volkskracht verwoordden. Het belangrijkste vehikel voor de degeneratietheorie was echter de laat-negentiende-eeuwse romanliteratuur, waarin het wemelt van de zenuwzieke en overgevoelige personages die tot de ondergang gedoemd waren.

Op allerlei plaatsen tekenden de gevolgen van het gemedicaliseerde maatschappijbeeld zich af: in de collectieve maatregelen ter verbetering van de openbare hygiëne, in de wijdverspreide preoccupatie met de kwalen die de gezondheid van de natie dreigden te ondermijnen, zoals daar waren syfilis, alcoholisme en tuberculose, en in de opkomst van de forensische psychiatrie. Niet overal was de uitwerking van medische denkbeelden overigens even groot, blijkt uit een aantal bijdragen. In de parlementaire discussie over sociale wetgeving speelden medische argumenten een beperkte rol, en voor de ontwikkeling van de pedagogische theorie en praktijk waren ze van ondergeschikt belang. Klaas van Berkel laat zien dat de gemedicaliseerde manier van denken ook nauwelijks van invloed was op de opkomst van de natuurbeschermingsbeweging, althans in Nederland. In België stond de groeiende belangstelling voor de vrije natuur veel meer in een cultuurkritische traditie en werd het gezonde buitenleven sterk afgezet tegen het verderfelijke en ziekelijk geachte leven in de grote stad.

Verrassing

De behandeling van al die deelgebieden in afzonderlijke hoofdstukken wordt op den duur wat veel van het goede. Maar wie doorzet, wacht aan het eind nog een aardige verrassing. In de epiloog beweert Piet de Rooy stellig en met kracht van argumenten dat het belang van al die medische beeldspraak buitengewoon betrekkelijk was. Een retorische stijlfiguur, oordeelt De Rooy, veel meer was het niet. Eén uitzondering wil hij nog maken voor de negentiende-eeuwse poging om, na de bejubeling van de individuele staatsburger in de nasleep van de Franse revolutie, weer uitdrukking te geven aan gemeenschapszin en maatschappelijke cohesie. Juist om het toenmalige gevoelen te verwoorden dat het maatschappelijk geheel meer was dan de som der delen, was de organische metafoor bij uitstek geschikt en betekenisvol, al bleek haar zeggingskracht op dit vlak ook weer erg snel uitgewerkt.

Het is een mooi stuk, een van de leukste uit de bundel, maar een vreemde epiloog is het wel. Door De Rooy het laatste woord te geven, voel je je als lezer toch een beetje bekocht. Ook in sommige afzonderlijke bijdragen zijn relativeringen te vinden van het belang van de ziektemetafoor, maar de bundel als geheel getuigt toch van de gedachte dat we hier te maken hebben met een belangwekkend fenomeen. Ik denk dat De Rooy gelijk heeft, maar omdat iets als een redactionele nabeschouwing ontbreekt, blijf je zitten met de vraag wat we nou eigenlijk uit deze bundel moeten begrijpen.

De zieke natie kent wel meer losse einden. Zo blijft onduidelijk wat de relatie is tussen de gepresenteerde vertooganalyses en de feitelijke medicalisering van de samenleving, blijkens de ondertitel het eigenlijke onderwerp. De redactie heeft zich niet gebogen over de vraag hoe beide zich tot elkaar verhouden en of we op dit punt misschien iets uit de bundel kunnen leren. En dan is er nog de vergelijking tussen Nederland en België. Die komt in allerlei bijdragen aan de orde; soms worden beide landen als één geheel behandeld, soms gecontrasteerd, maar de vergelijking wordt nergens naar een hoger plan getild. Is er iets van een patroon te ontdekken? Hoe zijn de verschillen of overeenkomsten te verklaren? De zieke natie lijdt daardoor aan de typische bundelkwaal: een aantal aardige bijdragen, maar het feit dat ze zijn samengebracht levert nauwelijks meerwaarde op.

Liesbet Nys, Henk de Smaele, Jo Tollebeek en Kaat Wils (red.): De zieke natie. Over de medicalisering van de samenleving, 1860-1914.

Historische Uitgeverij, 414 blz. €39,95