Dwangvoeding vooral medisch dilemma

Kan Volkert van der G. gedwongen worden te eten? Minister Donner denkt dat het juridisch mogelijk is. Maar kan het vanuit medisch-ethisch oogpunt ook?

Stel: de overheid dwingt Volkert van der G., de verdachte van de moord op Pim Fortuyn, om tegen zijn wil weer voeding tot zich te gaan nemen. Hoe zal dat in de praktijk gaan? Bij de Johannes Wier Stichting, de mensenrechtenorganisatie voor artsen en (para)medici die met hongerstakers te maken hebben, kan men het precies vertellen. Anders dan vaak gedacht zal het voedsel niet via het infuus worden toegediend. Dat is alleen geschikt voor mineralen, water of medicijnen. Echt vloeibaar voedsel moet via een slangetje door de neus in de maag worden toegediend.

De plaatsing van zo'n maagsonde is niet zonder risico, vertelt arts R. Koene. In Duitsland, Engeland en Turkije zijn er voorbeelden waarbij de hongerstaker juist overleed door het toedienen van dwangvoeding. ,,Bij een tegenstribbelende patiënt kan er een verslikkingslongontsteking ontstaan. Hij moet dus worden vastgebonden om te voorkomen dat hij het slangetje lostrekt. Dat is mensonterend '', aldus Koene.

Mocht Van der G. al in coma zijn, dan is het onzeker of dwangvoeding nog helpt. ,,Als hij het overleeft, is het de vraag met welke restschade. Er is een reële kans op een blijvende handicap'', zegt Koene. En wat betekent dát voor de arts die heeft meegewerkt aan een dergelijke behandeling, contrair aan de wil van de patiënt?

Het is maar één van de vele moreel-ethische vragen die er aan het geven van dwangvoeding verbonden zijn. Er zijn er meer. Welke arts is bereid om de medische handelingen te verrichten? Kunnen artsen in dienst van de overheid een dienstopdracht krijgen of volgen zij hun beroepsregels? Kan de staat rechtstreeks ingrijpen in het grondwettelijke zelfbeschikkingsrecht van een burger?

Juridisch is daarvoor ruimte, zo zei minister Donner (Justitie) woensdag al. Gisteravond werd duidelijk waarop hij zich baseert. In antwoord op Kamervragen wijst de bewindsman op de Penitentiaire Beginselenwet (PBW). Ondanks een circulaire uit 1985, waarin de wil van een gedetineerde in hongerstaking ,,in beginsel'' wordt gerespecteerd, stelt de PBW nog iets anders. In art. 32 staat dat de gevangenisdirecteur een gedetineerde mag ,,verplichten tot het gedogen'' van een geneeskundige handeling. ,,Het toedienen van voeding en/of vocht valt onder het begrip geneeskundige handeling'', concludeert Donner.

De minister noemt het verder niet, maar er is daarnaast ook Europese jurisprudentie. De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens bepaalde bijvoorbeeld in 1985, in een zaak waarin het expliciet ging om de toelaatbaarheid van dwangvoeding bij een hongerstaking, dat verdragsstaten verplicht zijn het leven te beschermen ,,als de autoriteiten de betrokken persoon in gevangenschap hebben.''

Het lijkt dus eenvoudig: mocht Van der G. in een alarmerende gezondheidssituatie komen, dan moet de overheid voorkomen dat hij sterft. Maar zo simpel is het niet. Want als de juridische theorie tot praktijk wordt, komen er andere afwegingen om de hoek kijken. Donner zegt het zelf in de Kamerantwoorden: ,,De feitelijke uitvoering van de beslissing tot dwangvoeding over te gaan ligt bij een arts.''

Die artsen zien zich geconfronteerd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het recht bevat gevrijwaard te worden van ,,onmenselijke of vernederende behandeling.'' Bovendien zijn er verklaringen van de World Medical Association waarin staat dat er geen gedwongen voedsel mag worden verstrekt aan patiënten die dat niet willen. Maar Donner ziet in zijn antwoorden aan de Kamer toch ruimte in de nationale wetgeving.

Ook hier treedt echter een complicatie op. Voor Nederlandse artsen geldt immers óók de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO). Die waarborgt dat de patiënt niet medisch wordt behandeld als hij dat zelf niet wil. Dwangvoeding mag alleen toegediend als de patiënt wilsonbekwaam is. En dat is bij Volkert van der G. nou juist niet het geval. Die is momenteel bezig het administratieve traject af te leggen dat uiteindelijk tot het tekenen van een wilsverklaring bij zijn volle verstand zal leiden.

Donner wil niet vooruitlopen op dit dilemma, maar stelt wel dat er ,,meer belangen en overwegingen aan de orde zijn dan alleen de wil en de wilsbekwaamheid van de betrokkene.'' Hij voegt eraan toe dat hij ,,veel belang hecht aan een ongestoorde rechtsgang''. Met andere woorden: Van der G. moet levend zijn proces kunnen bijwonen. Zijn zaak wordt zó belangrijk geacht dat een trendbreuk met de geldende regels aanvaardbaar lijkt, zoals dat eerder ook met het permanente cameratoezicht gebeurde. Daar vaardigde Donners voorganger Korthals een noodmaatregel uit die een wettelijke basis creëerde waardoor de camera's konden blijven hangen. Binnenkort doet de Raad voor de Strafrechtstoepassing uitspraak in het beklag dat Van der G. daartegen heeft gemaakt. Wint hij die procedure, dan zou dat een reden voor hem kunnen zijn om de hongerstaking te stoppen. Is dat niet het geval en wordt toch besloten tot dwangvoeding, dan zal ook daar waarschijnlijk nog een rechter aan te pas komen. Van der G.'s advocaten kunnen dwangvoeding in kort geding proberen te voorkomen.

Ondertussen heeft de Johannes Wier Stichting per brief de artsenorganisatie KNMG gevraagd om ,,haar standpunt inzake verbod op dwangvoeding te bevestigen'' en alle artsen op te roepen niet mee te werken aan dwangvoeding. Bovendien zou de KNMG haar leden moeten waarschuwen ,,voor de civielrechterlijke en tuchtrechterlijke gevolgen van wèl toepassen van dwangvoeding.'' De KNMG zelf wil, zo zei een woordvoeder vanochtend ,,gelet op het belang van de zaak op korte termijn overleg met de minister van Justitie.''