De tegel

Een pistool, een bankbiljet of een afstandsbediening zijn rekwisieten die de toon van een leven kunnen bepalen. Ze inspireerden K. Schippers tot een zomerserie voor het Cultureel Supplement. Vandaag deel 6.

Charles Donker heeft eens een ets gemaakt van een muur. Nooit meer teruggezien, ik herinner me een rechtopstaande vlakte, aan elke steen had hij evenveel aandacht besteed. Dit is niet de muur met daarvoor een paar voorbijgangers, die alle aandacht trekken. Bij Donker is de muur de diva, de prima donna, de ster.

Als je oversteekt zie je zo'n muur even in z'n geheel en daarna, dichterbij, nu en dan nog wat afzonderlijke stenen, met persoonlijke kerven en strepen, holtes en inkepingen. Iets van al die verschillen dringt wel tot je door, maar 't heeft geen zin 't te onthouden en waarom zou je er dan je pas voor inhouden.

Met die halve aandacht had Donker rekening gehouden. De tastende blik, die van de muur niets voorgoed hoeft te zien, was op z'n ets bewaard gebleven. De stenen waren, ondanks alle verschillen, niet helemaal doorwerkt. Nauwkeurig en toch dienstbaar vaag, zo kondigde de muur zich aan, of je er net zoveel van mocht overslaan als in een willekeurige straat.

De ets schiet me zomaar te binnen, een oorzaak is er niet. En nu wordt hij gevolgd door andere muren, een baksteen onder een raam op een balkon, er is met een krijtje 26 april 1944 op geschreven. Grote witte huisnummers, toen de straatlantaarns niet meer brandden, werden ze naast de deur gekalkt. Ratio moet vrij, ook in witkalk, dat was later, de jaren vijftig, je las de uitroep op een kademuur.

't Staat lijnrecht tegenover de stenen van Donker. Bij hem worden ze door geen geschiedenis bestuurd. Je hoeft niet eens te weten of een muur op een bepaalde locatie z'n voorbeeld is geweest.

M'n vroegere buurt, in het westen van de stad, is onder leiding van H.P. Berlage gebouwd. In het tijdschrift Wendingen heb ik er de eerste foto's van gezien, straten uit het begin van de jaren twintig. De huizen zagen er blinkend nieuw uit, zonder een kras.

Zou je er nog iets van die gekalkte opschriften herkennen? Sommige huizen zijn gezandstraald, daar is alles verdwenen. Op de grijszwarte gevels, door het verkeer beroet, zie je wel de moet van sommige huisnummers, de witkalk heeft het lang volgehouden.

Niet alleen roet, ook de menselijke hand heeft aan de hier ontstane patronen meegewerkt. Soms lijkt het of iemand met een krijtje heel vlug over de muur is gegaan, roetsj-roetsj, hier en daar wat punten, dan een langere lijn, de tekenaar geeft het op, nee, een meter of twintig verder begint 't weer. Zijn het overblijfsels van wat hier door kinderen op de muur is getekend? Sommige stenen kwamen los te zitten en zijn door nieuwe specie tot de orde geroepen, die is veel witter. Nergens is de muur egaal. Af en toe is er iets afgebroken, kort geleden nog, dat zie je aan het roodwit, helemaal vers.

De afdruk van een walm, uit het open raam van een patates-zaak, zit op de muur, de zaak zelf is allang weg. De rook is diep in het steen gesleten.

Op een hoek, niet ver van het trottoir, ontbreekt een steen. Die ontbrak altijd, zo lang ik hier liep. De holte is nooit opgevuld, voor goed overgeslagen, niemand zag het, alleen een kind.

Het ribbelige glas in een keldergat, er zit een barst in, altijd gezien, nooit op gelet.

Dit moet Donker in z'n prent hebben gesmokkeld, het onooglijke. 't Gaf je hoogstens wat richting, al die jaren heeft 't in je gerust, je hoeft er nooit meer iets mee te doen en toch is 't niet verloren gegaan. Het komt pas in je op als je er weer tegenover staat.

Als je aan de straten denkt, zijn ze lang en boomloos, geen enkel detail. Nu zie je het pas, hier heb je geoogst. Dat kleine raam, niet ver van de grond, daar in die reusachtige en nu iets kleinere muur, als je er voorbij liep, gaf het je een notie van koers. Je hoefde er nauwelijks op te letten, maar je wist door het raam waar je liep, deel van je richting die zich nog moest ontplooien.

Glanzende steen, mosgroen, een paar stenen geen groen, dan weer wel groen, de hele lijn moet tot de hoek lopen, je hebt hem onthouden. Nee, 't is minder actief, de buurt heeft jou onthouden, hij brengt je in kaart, als je hier niet liep, zou je niet weten wat er van de straat in je achter is gebleven.

Ik kijk ergens naar binnen, Serena Williams met een pleister op haar knie, wat springt ze hoog, speelt tegen Seles, helemaal in 't blauw. Nog hoger, Williams, witte ringen om haar oren, een ace, niet te geloven zo hard en nu verschijnt het hoofd van een vrouw voor het raam. Ze kijkt me argwanend aan, loopt naar een deur, vast naar de gang.

De deuk in de regenpijp, in een hoek tussen twee muurtjes, tegen de kerk. Even verder is een bredere straat, met tramrails en diepe portieken. 't Was of je met vakantie ging, als je die overstak. Glimmende tegels, in elk portiek, er was iets op geschilderd, dat je heel ver weg leidde, hoge halmen in de zon, schaatsers op een rivier. Ik zie nu ook iets anders, 't springt in me op, nooit meer aan gedacht. 't Is eenvoudiger dan de seizoenen, maar wel net zo glad. Bruine vlakjes, in de vorm van een ruit, onderbreken elke witte tegel in de hoeken. Het portiek is er mee bezaaid, heel streng. Tientallen bruine vlakjes, te abstract voor deze buurt, aan de zijkanten van het portiek, met in het midden de doktersdeur.

Genoeg gezien, ik moet hier weg, de bruine vlakjes verlaten me niet. Hun rang is iets hoger dan die van de ontbrekende steen op de hoek van de straat of van de gedeukte regenpijp.

Misschien zouden ze me vanzelf nog wel eens te binnen zijn geschoten, zo voelt het, zonder dat ik er de hulp van Donker of van het portiek bij nodig had.

Bruine vlakjes, wat moet je ermee. Er is intussen te veel gebeurd en dan mag je niet meer verlangen dat zoiets gerings het op eigen kracht nog tot een geschiedenis weet te brengen. Later loop ik in de buurt van de schouwburg en ineens, of de abstracte tegels me hier naar toe hebben geleid, zijn de vlakjes niet onbestuurd meer.

Niet in het portiek, maar binnen, hier ergens in de straat, op een tweede of derde verdieping zag ik ze in een sjieke keuken, een fornuis in een schouw met glanzende tegels. Dat iets uit west zich ook in het centrum kon bevinden, 't leek onmogelijk en toch was het zo, dan moest ik er ook ooit weg kunnen komen.

Ze moeten in de mode zijn geraakt, tachtig, negentig jaar geleden en pas nu ontdek je ze, de ornamenten van je eigen stad. Je ziet hem door de straat rijden, een man op z'n bakfiets of hoe deden ze dat toen, je ziet hem rijden, de keuken en het portiek, in dezelfde week betegeld.