De dichter van één regel

Ik zat te bladeren in een mooi boek, met mooie plaatjes: A Writer's Britain, van Margaret Drabble, uit 1979. Groot formaat, glad papier, veel foto's. Een stevige studie, handige reisgids en lekker bladerboek ineen – over de dorpen, de steden, de grauwe buitenwijken en de bewolkte badplaatsen van Engeland, maar vooral over het platteland, steeds gezien door de ogen van dichters en schrijvers. Mijn oog bleef ergens op een linkerbladzij haken aan een foto van een kerkhof, zwart-wit, ansichtformaat. Ik zag een smeedijzeren hek en wat scheefgezakte grafzerken op de voorgrond, een stenen bruggetje in het midden en in de verte, mooi tussen de bomen door en over de daken van het dorpje heen een uitzicht op een heuvel en de lucht daarboven.

In het midden van de foto ving een man met een pet onze aandacht, maar hij had zijn rug naar ons toegekeerd en wandelde weg, handen op de rug, in gedachten verzonken. Hij leek zich niet te bekommeren om wat het belangrijkste van de foto moest zijn: de onaanzienlijke steen, scheef, op de voorgrond, met daarop de naam William Wordsworth en daaronder het jaartal 1850 en daar weer onder de naam en het sterfjaar van zijn vrouw, Mary Wordsworth, 1859. Sober graf, eenvoudig kerkhof, simpele foto, genomen op een doordeweekse dag, zo te zien, terloops, met een wegwandelende man met een pet die zojuist misschien wel heeft staan peinzen bij het graf van zijn zoon, of vrouw, of vader.

De foto zal in de jaren zeventig zijn genomen, maar hij zou ook wel honderd jaar oud kunnen zijn, zo verstild en bezonken en tijdloos is de stemming. Hier zien we het graf van een beroemde dichter, Poet Laureate – maar er is niets dat op roem wijst. Wordsworth werd na zijn dood, op 80-jarige leeftijd, op eigen verzoek eenvoudig ter ruste gelegd in Grasmere, dicht bij de plek waar hij geboren was en een groot deel van zijn leven gewoond en gewerkt had, onder bomen waarvan hij er zelf nog enkele had geplant.

Het is een foto om bij te verwijlen, en bijvoorbeeld bij te bedenken dat de dichter daar zelf ruim anderhalve eeuw geleden ook gestaan moet hebben, op de plek van de fotograaf, en gekeken moet hebben naar de steen die wij ook kunnen zien, naast de plek die al voor hem gereserveerd was. Hier nam op 14 juli 1847 een gebroken Wordsworth afscheid van zijn dochter Dora, op 43-jarige leeftijd overleden aan tuberculose. Eerder had hij al een zoon en een dochter verloren. Het grote verdriet om Dora bracht de toen 77-jarige Wordsworth aan de rand van de dood. De berichten erover zijn hartverscheurend: hij was ontroostbaar, hij huilde urenlang, hij was maandenlang niet in staat om ook maar in de buurt van Dora's huis te komen, hij zat stil in een hoek en hij verdroeg geen bezoek. En toen hij dan eindelijk weer eens, zwijgzaam, korte wandelingen met zijn oude vriend Henry Crabb Robinson durfde te maken, trok hij zich bij thuiskomst meteen in zijn kamer terug en zat daar dan alleen en huilde onafgebroken (`sit alone & cry incessantly'), zo schreef Robinson in zijn dagboek. Dora was toen al langer dan een half jaar dood.

Wordsworth kwam zijn droeve inzinking wel weer enigszins, maar nooit meer helemaal te boven. In het voorjaar van 1850 werd hij zelf ernstig ziek. Hij overleed op 23 april, aan pleuritis. Zijn naaste omgeving kon enige vrede hebben met zijn sterven. Zijn schoonzoon Edward, de man van Dora, sprak de grafrede uit en besloot die met de verzekering dat de overledene zich aan het eind van zijn leven had kunnen troosten met een mooi vooruitzicht: zijn geliefde Dora weer te mogen zien. `He has, no doubt, now a higher reward: he is gone to Dora.'

Zo zou er nog wel meer geschiedenis afgelezen kunnen worden aan deze zo bezonken ogende zwartwitfoto, met zijn suggestie van verstilde idylle, stilgezette tijd en rustig wegwandelende dorpsmannetjes met petten op. Het terloopse beeld en de roem van een groot dichter, daar zou een mooie tegenstelling in kunnen schuilen. Maar de werkelijkheid was en is anders, zoals ik eigenlijk ook wel had kunnen en moeten weten. Nog dezelfde dag zag ik ergens in een bloemlezing het gedicht `Remains' van Tony Harrison, geschreven in de jaren tachtig. Al meteen in de eerste regel laat hij zich snerend uit over al die duizenden mensen die jaarlijks het graf en de huizen en de dichterlijke plekken van Wordsworth in en om Grasmere komen bezoeken, allemaal in de hoop zo even te kunnen verwijlen in die echte ouderwetse dichterbardensfeer (`imbibing bardic background'). Ik voelde me betrapt, want ook ik had daar bij het hekje staan kwijlen, zij het dan per foto.

Al die Wordsworth-watchers zwijmelen maar bij diens beroemde `Immortality Ode', schampert Harrison, maar voor de werkelijke blijken van sterfelijkheid en onsterfelijkheid hebben ze geen oog. Harrison vond ergens in een uithoek van het kerkhof een regel die daar door een behanger stiekem ooit werd achtergelaten – volgens de ondertekening door ene W. Martin, `paperhanger', en wel op 4 juli 1891. Tegen de gecanoniseerde poëzie van Wordsworth en het gecanoniseerde Wordsworth-toerisme brengt Harrison nu deze gevonden dichter in stelling. Net als Wordsworth afkomstig uit Grasmere en niet meer in leven, maar daarmee houden de overeenkomsten op. Hij is de dichter van één regel, in zijn hele leven maar één keer door de muze bezocht, en dan ook nog zonder het te weten. Dit is zijn verzameld werk, de ene regel die Harrison vond en die hem raakte: `our heads will be happen cold when this is found'. Er zit iets onhandigs en ouderwets in, duidelijk geschreven door iemand met weinig scholing, maar dat heeft meteen ook iets charmants. Er zit een mooi beeld in voor de dood. Pars pro toto: onze hoofden (in plaats van: wij) zullen koud zijn. Het is een ontroerende heenreiking over de grens van leven en dood: nu ik dit schrijf ben ik nog in leven, maar als u dit vindt niet meer. En het geheel bevat mogelijk ook nog eens een dubbele bodem: een paperhanger is niet alleen een brave behanger, maar ook een verspreider van vals geld – en zo iemand maakt zich bij voorkeur pas na zijn dood bekend.

Voor deze antidichter voelt Harrison, die zich graag tegen de gevestigde poëzie afzet, veel sympathie – en hij zou zich dan ook graag met deze ene regel ondergronds laten opsluiten, om op dezelfde manier door een latere generatie nog eens teruggevonden te worden. Mooie gedachte, maar misschien ook weer niet zo rebels als Harrison zou willen. In de ene regel van W. Martin zou je ook wel een algemener dichtersdevies kunnen zien. Elk gedicht kan een brief aan een onbekend nageslacht zijn. Bijna iedere dichter heeft wel iets van een paperhanger. En heel veel dichters geven, vaak zonder dat ze het weten, achter het behang van hun verzen kleine eenregelige briefjes mee voor latere lezers, die heel anders lezen dan zij ooit hebben kunnen bedenken toen hun hoofden nog niet koud waren.