Openhartige bouwers

Prominente personages uit de bouwwereld hebben de afgelopen dagen in de media ruiterlijk toegegeven dat er van alles mis is geweest met de aanbestedingspraktijk. En dat de top van de bedrijven daarvan moet hebben geweten. Deze ontboezemingen maken de openbare verhoren waarmee de parlementaire enquête naar de bouwfraude vandaag is begonnen, niet minder interessant maar eerder méér. Een gouden regel uit het enquêtevak luidt dat het slagen van de openbare verhoren afhankelijk is van de kwaliteit van de voorgesprekken die de commissie voert.

Afgaande op het golfje openhartigheid aan de vooravond van de verhoren staat ons nog het nodige te wachten. Het is onaannemelijk dat op voorhand het hele verhaal is weggegeven. Vooral de plotselinge openhartigheid van voorzitter Brinkman van het Algemeen Verbond Bouwbedrijf lijkt een kwestie van tactiek. Zet snel een streep onder het verleden, liet hij weten, en laten we ons concentreren op de toekomst. Het is duidelijk dat dit recept voor een enquête van enige betekenis te simpel is.

Eenvoudig gaat de achtste parlementaire enquête sinds de Tweede Wereldoorlog zeker niet worden. De commissie onderzoekt een ingewikkeld vraagstuk van verstrengeling en handjeklap – tussen concurrenten onderling, maar ook tussen bedrijfsleven en overheid. Daarbij komt regelgeving die haar eigen vragen oproept. De belangrijke Europese dimensie van de regels vormt een complicerende factor op zichzelf voor een Nederlandse enquêtecommissie. Het onderzoek richt zich op `onregelmatigheden' in de bouwsector. De rol van de overheid – als opdrachtgever en als toezichthouder – vormt met reden een afzonderlijk aandachtspunt in de enquête.

De opdracht van de Tweede Kamer is betrekkelijk neutraal geformuleerd, maar in de publieke perceptie is dit vooral de `enquête bouwfraude', die in het teken staat van strafbare verwijten. Het parlementaire onderzoek loopt samen met een strafrechtelijk onderzoek door het openbaar ministerie (OM). Daarnaast is voor de goede orde ook nog de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) bij de kwestie betrokken. Maar het is vooral de samenloop tussen parlementair en justitieel onderzoek die voor problemen kan zorgen.

Theoretisch zijn de twee onderzoeken goed te scheiden; het parlement onderzoekt het systeem en justitie de individuele aansprakelijkheid. De voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie, M. Vos, heeft een `schandpaaleffect' op voorhand met nadruk van de hand gewezen; dat is het terrein van justitie. Toch is er wel degelijk sprake van concurrerende onderzoeken, al was het alleen al omdat de aanpak van OM en NMa mede onderwerp van de parlementaire enquête kan vormen en niet omgekeerd. In een aantal individuele gevallen zal moeten worden gekozen tussen parlement en justitie, want maximale openheid bij de enquête kan in de praktijk een strafrechtelijke sanctie in de weg staan. En dat bij een affaire die zijn oorsprong vindt in publieke verontwaardiging over het afkopen van een strafrechtelijke veroordeling door enkele bouwondernemingen.

De aanduiding `fraude' is overigens iets om voorzichtig mee te zijn. Zij suggereert een hard juridisch verwijt, maar men zal dit woord tevergeefs zoeken in het Wetboek van strafrecht. In de praktijk is een strafrechtelijke veroordeling vaak alleen mogelijk voor begeleidende valsheidsdelicten – of fiscale strapatsen – die het eigenlijke kwaad moeten afdekken. Het eigenlijke kwaad is in dit geval een afsprakencultuur met diepe wortels in de Nederlandse polder. Alleen al door haar lange historie onttrekt deze cultuur zich aan een gemakkelijk oordeel. Maar het is zeker te eenvoudig om het te laten bij de verklaring die een grote bouwer in deze krant gaf: ,,We waren met zijn allen gevangen in het systeem.''