Kost en inwoning

Bij zekere gelegenheid, ik weet bij god niet meer welke, hoorde ik Anneke Brassinga in waarderende zin spreken over `fijnzinnige poëzie'. Daar schrok ik toch even van. Sinds wanneer is fijnzinnigheid een criterium in de poëzie? Lawaai, grofheid, vuur, de schok en het sublieme, alles is welkom, maar verlos ons van de fijnzinnigheid. Wat moet ik me voorstellen bij fijnzinnige poëzie? De poëzie van een deftige jongeheer of een welopgevoede bakvis, neem ik aan. De vaerzen van jongens en meisjes die aan naaldwerk doen en Proust in het Frans en die nooit dobbelen of winden laten. Damespoëzie. Poëzie van gouden brilletje, polsmof, poedel.

Haydn in Ierland

Fijnzinnigheid, het lijkt me iets voor de betere standen. Het staat voor alles waar ik geen deel aan heb of mag hebben.

Misschien moet ik me om het raadsel van de fijnzinnigheid te doorgronden wenden tot het werk van Anneke Brassinga. Waardoor kenmerken zich haar gedichten? Door het gebruik van woorden als hapschaar, hompje, handjesgras, nornenknot, strubbelingsparels, inktvlekviooltje, smoorkolk, zonsravage, regensoep, eilaas en talewalende. Door versregels als

o oude boterham die ik rooster

en

luchtziek zie ik de kastanjes eeuwig ruisen

en door deksels poëtische wendingen, her en der verstrooid, als `een dag om eieren te leggen', `zuiveringszout maakt de voeten gezond', `het kraantje aan je mansbuik' en `almaar inniger, als soep uit eigen blik'.

Zie in bijgaand gedicht ook de brekebeense pizzicatosprongen en de drijfjacht die kijkdoosklein scharminkelt. Om niet te spreken van de rimpelbuisenzovoorts en de lekkage van geluk. Zou een inlegkruisje helpen?

Allemaal hoogst fijnzinnig.

Waar wij arme stervelingen ons moeten behelpen met genot, melodieus, het lessen van de dorst, chaos, boos, poen en rood, daar gebruikt Anneke Brassinga de woorden geneugten, zoetgevooisd, lafenis, baaierd, vergramd, pecunia en ros. Men zou eens voor onfijnzinnig doorgaan. Bovendien moeten er veel namen worden genoemd en dient de tekst copieus met citaten te worden doorspikkeld (ik begin al te Brassingaën). Citaten van Rilke, Leopold en Nietzsche. Van Haydn en Stendhal. Een beetje fijnzinnige dame kent de grenzen van haar intelligentie niet. Cees Buddingh' en De Schoolmeester die ze ook citeert worden in de verantwoording niet vermeld. Niet fijnzinnig genoeg. Naast veel literaire citaten en krom oud-Hollands in de trant van de Gecroonde Crakelingh dienen er want niets mag gewoontjes zijn om de haverklap woordspelingen en binnenrijmen in de gedichten voor te komen. Vlucht-zucht, terts-erts, clownsklauwtjes, vlies-servies en scherven-sterven, om me tot bijgaand product te beperken.

Zoveel fijnzinnigheid leidt tot onvergetelijke resultaten

De boezem, Boris, is het vlaggeschip

van vrouwelijke charme: kom boor uw neus in mijne zeilen

die nooit gestreken zijn en gorgel ferm als parlevinker,

want elke theepot dicht na 't barsten zelf haar kieren

met hete verse thee

hoera! Zoveel fijnzinnigheid maakt kriegel, dat staat vast. Er is bij al deze dames ook altijd sprake van een krampachtige poging tot ironie à la Fritzi ten Harmsen van Beek, alleen deed Fritzi ten Harmsen van Beek het zoveel beter.

Deze Fritzi-klonen onder aanvoering van Anneke Brassinga zijn de nieuwe précieuses ridicules, om ook eens een ouwe Fransman te citeren. Ze zijn in elk geval zowel precieus als ridicuul. Anneke Brassinga praat niet, ze doet aan dictie; ze wandelt en eet niet, ze schrijdt en consumeert; ze dicht niet, ze olliebeebommelt; ze schrijft geen poëzie, ze pepert je onophoudelijk in dat ze literair is, dat wil zeggen fijnzinnig. Ze heeft er dit jaar de VSB-poëzieprijs voor gekregen (als ze die niet wint, zit ze in de jury). De hoogste Nederlandse onderscheiding voor subsidiabele fijnzinnigheid.

Haar poëzie maakt een volstrekt vormeloze indruk, vooral door die drang alles altijd anders te zeggen. `Bij het vozen van rots en regenboog.' Het is geen muziek of taaldronkenheid, het is de verbale fijnslijperij en o zo fijnzinnige bekaktheid van iemand die geen normaal woord uit haar strot kan krijgen, omdat ze anders te gewoontjes zou lijken en te onhulpbehoevend

Inkerig de zelfspijziging der kruisgaand gebukte

buiksloof die op blote voetangels trilling leest

brekebeense pizzicatosprongen waar sommigen nooit genoeg van krijgen. Ik krijg er uitslag van. Over `prikkebeens jagen' heeft ze het ook nog. Jagen bedoelt ze met een netje zonder bodem. Naar de hel met de fijnzinnigheid!