Justitie kan geen oorlogsmisdadigers vinden

Ondanks talrijke verdenkingen heeft justitie nog geen enkele oorlogsmisdadiger voor de rechter kunnen brengen. Het speciale Novo-team heeft het moeilijk, met zichzelf en met andere diensten.

Achtentwintig getuigen in vijf verschillende landen waren gehoord in het onderzoek naar een van foltering verdachte asielzoeker uit Joegoslavië. Vanaf 1995 werden op grote schaal telefoons afgetapt en het Novo-team voor de opsporing van in Nederland verblijvende oorlogsmisdadigers dacht getuigen te hebben die de bewijsvoering rond zouden maken. Maar vorig jaar blies het rechercheteam de zaak af. Op het laatste moment trokken getuigen hun verklaring in, procedurefouten hadden bewijsmateriaal in het dossier ongeldig gemaakt en een aantal documenten erin voldeed niet aan internationaal vereiste rechtsnormen.

Dit mislukte Novo-onderzoek is een van de voorbeelden in het rapport Evaluatie van het Nationaal opsporingsteam voor oorlogsmisdaden van de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen en het Willem Pompe Instituut van de Universiteit Utrecht. Nederland is een aantrekkelijk toevluchtsoord voor oorlogsmisdadigers, morde toenmalig PvdA-woordvoerder Van Oven eind vorig jaar in de Tweede Kamer. Het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie, lijkt hem gelijk te geven. Opsporingsinstanties werken langs elkaar heen en sinds de oprichting van dat Novo-team in 1998 is niet één oorlogsmisdadiger in Nederland voor de rechter gebracht.

De internationale samenwerking in dat onderzoek verliep gebrekkig. Zo werden de resultaten van twee in het buitenland uitgevoerde fotoconfrontaties niet in proces-verbaal vastgelegd, die waren daarmee onbruikbaar. Hetzelfde gold voor twee in het buitenland afgelegde getuigenverklaringen. Enkele getuigen weigerden op het laatste moment hun medewerking, waarschijnlijk omdat Nederlandse rechercheurs hadden beloofd hen op de hoogte te houden van het onderzoek, maar die afspraak vervolgens niet nakwamen.

Onzorgvuldige opsporingspraktijken en slechte coördinatie zodra meerdere landen bij vervolging van oorlogsmisdadigers zijn betrokken hebben er de afgelopen jaren toe geleid dat zaken `stukliepen', zo blijkt uit het onderzoek. De onderzoekers noemen het geval van een asielzoeker die een landgenoot beschuldigde van oorlogsmisdrijven en foltering. Een tweede in Nederland verblijvende asielzoeker zou die beschuldiging kunnen bevestigen; ook hij was getuige geweest van de praktijken van de verdachte. Pogingen om de bij naam genoemde verdachte op te sporen mislukten in eerste instantie doordat het asielzoekerscentrum waar hij zou zijn was opgeheven. Nadat zijn verblijfplaats alsnog was achterhaald, stagneerde vervolging omdat de tweede getuige ontkende de verdachte te kennen. Waarschijnlijk omdat die getuige bij zijn eigen asielaanvraag gelogen had over zijn land van herkomst en hij zijn asielverzoek zo niet in gevaar wilde brengen.

Ook de samenwerking tussen Buitenlandse Zaken en het rechercheteam verliep niet altijd vlekkeloos. In de Pakistaanse stad Peshawar hadden Afghaanse ballingen een archief aangelegd van oorlogsmisdadigers die Afghanistan ontvlucht waren. Het Novo-team wilde het vijftigduizend stukken tellende archief al in 2000 overbrengen naar Nederland, maar kreeg geen toestemming van Buitenlandse Zaken. Volgens professor Klip, betrokken bij eerdergenoemd onderzoek naar het Novo-team, bevat het archief belangrijk materiaal, krantenknipsels, maar ook getuigenverklaringen en verhoren van Afghaanse oorlogsslachtoffers.

Klip noemt de controverse tussen Justitie en Buitenlandse Zaken over dat archief ,,illustratief voor het gebrek aan prioriteit in het opsporingsbeleid jegens oorlogsmisdadigers. De Pakistaanse overheid lag niet dwars, het waren twee Nederlandse overheidsinstellingen die daarover met elkaar in de clinch lagen.''

Buitenlandse Zaken ging er van uit dat voor de archiefoverdracht een internationaal rechtshulpverzoek nodig was. Maar uit Klips onderzoek blijkt dat de Pakistaanse archiefbeheerders er juist bij Buitenlandse Zaken op aangedrongen hadden het naar Nederland over te brengen. Pas na de aanslagen in New York en Washington op 11 september vorig jaar kreeg het Novo-team van de Arnhemse officier van justitie de instructie om tot actie over te gaan.

Volgens Klip is het getreuzel rond het `Peshawar-archief' een gemiste kans, ,,zeker voor Nederland dat in vergelijking met andere West-Europese landen veel hooggeplaatste Afghaanse militairen onder de asielzoekers telt.'' Nederland neemt volgens hem nauwelijks initiatief om tot opsporing van oorlogsmisdadigers te komen. ,,Het beleid is meer gericht op het buiten de grenzen houden van oorlogsmisdadigers in plaats van hen te vervolgen en te berechten. Daarin is Nederland trouwens niet uniek in Europa. Alleen justitie in Duitsland vormt een positieve uitzondering. Daar is men uiterst actief in het in het buitenland vergaren van kennis en het overvliegen van archieven, getuigen en slachtoffers. In Duitsland worden oorlogsmisdadigers ook daadwerkelijk vervolgd, het speciale Nederlandse justitieteam is daar nog niet één keer in geslaagd.''

Als het de bedoeling was om internationaal een signaal te geven dat Nederland serieus werk maakt van vervolging van oorlogsmisdrijven, concluderen de onderzoekers, ,,dient men zich af te vragen hoe sterk dat signaal is geweest, nu er al jaren niemand voor de rechter is gebracht''. Het Novo-team zelf heeft intern zo'n slechte reputatie dat pogingen vanaf 1999 om een officier van justitie te werven mislukten. Vorig jaar werd besloten aan het twaalfkoppige Novo-team zestien rechercheurs toe te voegen en specialisten op het gebied van oorlogsrecht, historici en cultureel antropologen. Volgens een woordvoerder van het landelijk parket moet die uitbreiding nog gestalte krijgen.