Jungle kun je nu eenmaal niet eten

Op het Indonesische eiland Sumatra wordt jaarlijks een bos gekapt ter grootte van de Randstad, met ernstige gevolgen voor het milieu.

In tien jaar veranderde de omgeving van de oude Suanih van een dichte jungle waar regen en zonlicht de grond nimmer rechtstreeks raakten, tot een stoffige vlakte die nu alleen struiken en varens gedoogt. De bossen verdwenen met één vrachtwagenlading per twee minuten in de pulppersen van de papierfabriek vlakbij. De fabriek staat bij Pekanbaru, een stad in Midden-Sumatra, het meest westelijke eiland van Indonesië.

De rook van Suanihs kruidnagelsigaret wordt één met de permanente smog. Overbeladen trucks trekken aan hem voorbij. ,,Ze moeten steeds verder hout halen'', valt de boer-in-ruste op, ,,en die stammetjes worden ook steeds dunner.'' Maar hij is blij met de fabriek die hem verloste van zijn grootste zorg: werk voor zijn kinderen. ,,Ze verdienen daar elke maand evenveel. Anders hadden ze op mijn land moeten werken. Maar dat is hier heel zwaar en je weet nooit wat het werk oplevert.''

Ruim twintig jaar geleden vonden de op geld beluste machthebbers in de hoofdstad Jakarta dat ze Indonesië goed hadden bekeken. Ze zagen formidabele bossen op het ene dunbevolkte eiland en veel te veel mensen op het andere. Transmigratie was de oplossing. Van het overbevolkte Java brachten de autoriteiten arme boeren als Suanih naar Sumatra om daar de jungle te `openen', zoals de transmigranten zeggen.

In groepen van tien, twintig families kwamen ze aan om bosgrond om te zetten in landbouwgrond. ,,De overheid wees me een stuk jungle toe, ik heb daar alle bomen weggehaald, de grond afgebrand en ben gaan boeren.'' Met het aldus goedkoop gewonnen hout zette Indonesië een lucratieve papier- en pulpindustrie op. Grote financiële instellingen uit de hele wereld staken er geld in en stelden geen vragen.

Jaarlijks raakt Sumatra een bos kwijt ter grootte van de Randstad. In dit tempo is de jungle daar over vijf jaar verdwenen. De transmigranten lachen erom: ,,Daar hebben we zelf toch aan meegedaan.'' Of het zo bedacht was, weet niemand, maar de bekritiseerde Indonesische overheid en papierindustrie kunnen zich geen betere bondgenoten wensen dan die nieuwkomers. ,,Jungle kun je niet eten'', is hun motto. Ze hebben het gevecht met het oerwoud gewonnen en dus behoort het resultaat, landbouwgrond, hun toe. De verliezers zijn de inheemse Sakai die sinds 2000 voor Christus in het regenwoud leefden. ,,Maar ja, dat waren dan ook nomaden'', vergoelijkt winkelhouder Nur Ali, ,,toen de jungle open ging, trokken zij weer verder. Een heel primitief volk.''

Ontbossing is overal in Zuidoost-Azië. Het schiereiland van Maleisië en Thailand is vrijwel al zijn bossen al kwijt, Vietnam ook, eerst door bommen en later door kettingzagen. Nu zijn het de armste landen van de regio, Cambodja, Laos en Birma, die in hoog tempo hun bossen kappen, deels legaal, maar vooral illegaal. Van herbeplanting komt niets terecht. De cijfers lopen uiteen over de snelheid waarmee de jungle in de regio verdwijnt. Dat het hard en ongecontroleerd gaat, daarover is iedereen het eens. Als de lijnen uit het verleden worden doorgetrokken zal in het gunstigste scenario een houthakker ergens in 2020 de zaag aan de laatste jungleboom van Zuidoost-Azië zetten.

De gevolgen van het verdwijnen van bossen zijn zoals overal in de wereld: landverschuivingen en overstromingen. Verstopte rivieren worden moerassen en zo kweekvijvers voor malariamuggen. Ontbossing maakt een eind aan breekbare biodiversiteit waardoor zeldzame diersoorten het afleggen, net als de oorspronkelijke bevolking. En kappen leidt het hele jaar tot `haze' in de regio: prikkende rook doordat boeren boomstronken in brand zetten. Dat is volgens hen de snelste, goedkoopste en beste bemesting voor hun land.

De `geïmporteerde' bevolking op Sumatra, waar 80 procent van de oorspronkelijke jungle nu weg is, reageert op de gevolgen van het kappen met: ,,Dat zien we dan wel weer.'' Wie arm is, heeft niet veel op met de Sumatraanse tijger en neushoorn. De bewoners van de dorpen rond de papierfabriek zien de vrijwel verdwenen dieren eerder als tegenstanders.

Tuffend naar de Riau Andalan fabriek vaart een bootje over de Kampar rivier, die zowel de aanvoerroute is als de waterleverancier van de papierfabriek – een van de grootste ter wereld. Het scheepje sleept honderd boomstammen van vier meter lengte achter zich aan. Onderzoeken zeggen dat acht ervan min of meer deugen, omdat ze van plantages komen die zijn aangelegd met het oog op de kap. Vijfenvijftig stammen komen uit het onvervangbare tropisch regenwoud, zonder dat de Indonesische overheid er bezwaar tegen maakt. De overige 37 zijn illegaal gekapt en dát vindt Jakarta niet goed. Niet omdat de jungle erdoor verdwijnt, maar omdat de overheid er inkomsten door misloopt, tussen de drie en zeven miljard euro per jaar.

De veertigjarige Nur Ali was zo'n illegale houthakker. ,,Ik moest wel, want mijn land leverde niets op. Met vijftien werkloze boeren gingen we naar stukken bos die van niemand waren. Kappen voor een tokeh, een Chinees waaraan we ons hout verkochten.'' De tokeh bleef onzichtbaar voor Nur Ali, net als de gelijknamige hagedis. ,,Iemand anders gaf ons loon, 25.000 roepia (zo'n drie euro) per dag. Toen ik hoorde hoeveel de Chinees aan ons hout verdiende, heb ik het één keer als tokeh geprobeerd. Ik kocht illegaal hout en ben ermee naar Maleisië gevaren. Maar meteen in de haven pakte de politie me op en gooide me in de cel. Acht maanden.'' Nu leeft Nur Ali van zijn winkel-aan-de-weg die draait op de chauffeurs van de papierfabriek. ,,Zonder die fabriek valt er hier niets te verdienen, want de bomen zijn er niet meer.''

Vierde deel van een serie over duurzame ontwikkeling, naar aanleiding van de VN-conferentie in Johannesburg, (26 aug. tot 4 sep.). Eerdere delen verschenen op 17, 19 en 20 augustus en zijn te lezen via www.nrc.nl.