Schrijven in ballingschap

Het in de huid van een ander kruipen is bij mij een soort beroepsdeformatie geworden. Wie schrijft (althans wie fictie schrijft) doet eigenlijk niet anders. Of is het omgekeerd en schrijf je omdat je van nature graag in andermans huid kruipt? De vraag in hoeverre romanfiguren afsplitsingen van de auteur zelf zijn laten we hier maar rusten. Waar het om gaat is dat er, in de paar weken dat ik nu in het huisje van Adriaan Roland Holst in Bergen verblijf, in mijn hoofd een voortdurende strijd woedt tussen de personages uit de roman die ik onderhanden heb en waaraan nu eens flink gewerkt zal worden – en het personage van de oude dichter dat hier nog rondwaart. Een strijd om mijn aandacht.

Als ik verstandig ben, gooi ik die dooie dichter eruit, want voor hem ben ik hier niet, maar verstandig ben ik slechts bij vlagen. Misschien is hij zo onontkoombaar, omdat ik hem niet verzonnen heb. Zijn realiteit is nog tastbaar, hoe ingrijpend gemoderniseerd dit oude huisje ook is. Ik kan het niet laten om telkens weer in de hier aanwezige boeken met foto's van vroeger te kijken. In hetzelfde kleine keukentje als waar hij op zijn gasstelletje aardappels bakte en blikjes opwarmde, sta ik nu gember en knoflook door simpele eenpansgerechten te roeren. In de badkamer waar hij 's ochtends in alle vroegte een koud stortbad nam, sta ik halverwege de ochtend onder de hete douche. Op de slaapkamer zie ik hem door mijn eigen spiegelbeeld heen voor de oude wandspiegel met het weer erin zijn elegante jasjes passen en zijn vlinderdasjes strikken. Als ik hier midden in de nacht de enge, steile trap afstrompel om beneden te gaan plassen, denk ik eraan dat hij dat ook tot op zijn oude dag heeft moeten doen en ben daarmee waarschijnlijk de enige Nederlander die tijdens deze nachtelijke activiteit aan de Prins der Dichters moet denken. Net als hij word ik, aan de werktafel zittend, afgeleid door verkeer op de dijk langs het huis, niet door automobielen vol `zoomergasten met hun open Schillerkragen' waaraan hij zich in de jaren twintig met aristocratische pedanterie ergerde, maar door de terreinwagens, cabriolets, racefietsen, leuke tandems en ligfietsen, waaraan míjn modieuze nostalgie van stadsmens op het platteland zich kan stoten.

Ook buitenshuis kom je hem overal tegen. Fiets je door het centrum van Bergen, zit hij bij De Pilaren. Kom je in museum Kranenburgh naar een tentoonstelling over Leo Gestel kijken, loop je tegen zijn portret aan. Dwaal je over het kerkhof, ligt er een bos verse, rode rozen op zijn graf.

Maar eruit met hem! Mijn hoofdpersonen leven in 2002 in Den Haag en New York, niet in Bergen. Ze zijn geen dichters laat staan geroepenen of uitverkorenen. Zij zoeken niet de Elysische eilanden van het geluk achter wilde, grauwe kimmen. Dat wil zeggen: die zoeken zij evengoed, maar ze noemen het anders. In de laatste weken die mij hier nog resten, moet mijn onverdeelde aandacht naar hén uitgaan. Zij hebben mij nodig, die oude dichter niet. Ik moet me geestelijk verplaatsen naar Madison Avenue, het Central Park, de watertorens op de daken van West 84th Street, naar de Laan van Meerdervoort en naar 4 Atheneum, waarin de jongste van het stel dit jaar tot haar `grenzeloos balen' is blijven zitten. Er moet in dat boek op vliegvelden rondgehangen worden en mobiel getelefoneerd; er worden pizza's besteld, haar wordt in een nieuw kleurtje geverfd en computers crashen. Ik heb niks aan de zomeravondzon die zo melancholiek over het Paddenpad van de dichter schijnt; mijn romanfiguren worden daar alleen maar ongedurig van. Er is er toch al eentje bij die steeds niet wil zoals ik wil, die probeert met de hele plot op de loop te gaan, dus die moet eens streng aangepakt worden, want ze moeten wel weten wie de baas is! Nee, ik heb hier nog mijn handen vol.

Het is nu afgelopen met het stiekem naar de boekenkast lopen en flarden uit de briefwisseling met `tante Jet' gaan staan lezen. Wat denkt die Roland Holst eigenlijk wel? Dat hij dertig jaar na zijn dood nóg het hoofd op hol kan brengen van dames die eerzaam hun plicht proberen te betrachten? Dan heeft hij het mis.

Vanaf nu wordt door mij onder dit dak alleen nog een keer het glas geheven op de nagedachtenis aan Bert Schierbeek de naamgever van het Fonds dat het gebruik van dit huisje als werkplek voor hedendaagse schrijvers mogelijk maakt en verder wordt er geen tijd meer verdroomd aan dode dichters.

We gaan ons keihard opstellen.