Het bonte leger van Iraakse oppositiegroepen

De mensen die gisteren de Iraakse ambassade in Berlijn gijzelden, maken deel uit van een palet van Iraakse oppositiegroepen. De eenheid is ver te zoeken.

,,We doen een eerste zet in de richting van bevrijding van ons geliefde vaderland'', meldde de Democratische Iraakse Oppositie gisteren in een fax tijdens de gijzeling van de Iraakse ambassade in Berlijn. Vrijwel onmiddellijk kwam een reactie van het in Londen gevestigde Iraaks Nationaal Congres, dat zei de gijzelaars niet te kennen en zich distantieerde van de actie: ,,We beperken onze bevrijdingsoorlog tot Irak''.

De uitspraken tonen de verdeeldheid binnen de Iraakse oppositie. De, volgens een schatting van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken uit 1998, 74 oppositiegroepen hebben één doel: de val van het regime van president Saddam Hussein. Maar persoonlijke, politieke, etnische en religieuze verschillen maken samenwerking vrijwel onmogelijk.

Dat werd ook begin augustus duidelijk in Washington, waar de zes belangrijkste oppositiegroepen spraken met onder anderen de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, minister van Defensie Donald Rumsfeld en via een videolink met vice-president Dick Cheney, over een zogenoemd `Afghaans model'. De Iraakse oppositie zou, met Amerikaanse steun vanuit de lucht en speciale eenheden op de grond, proberen Saddam Hussein ten val te brengen. Het relatieve gemak waarmee in Afghanistan de Noordelijke Alliantie en Pathanen met hulp van Amerikaanse troepen het regime van de Talibaan omver wisten te werpen, leek dit idee te ondersteunen.

De belangrijkste oppositiegroepering is het Iraaks Nationaal Congres (INC), een sinds 1992 in Londen gevestigde overkoepelende organisatie die wordt geleid door dr. Ahmed Chalabi. Het INC heeft sinds 1998 12,4 miljoen dollar van de VS ontvangen, en wordt voornamelijk door het Congres gesteund. De financiële steun, die onder de regering-Clinton aan het INC werd geschonken via de zogenoemde Iraqi Liberation Act, werd onlangs stopgezet, wegens vermoedens van fraude. Gisteren kondigde INC-leider Chalabi na gesprekken met de Amerikaanse regering aan dat het INC opnieuw financiële steun uit Washington zal krijgen.

De organisatie zal daarmee onder meer spotjes op de Amerikaanse televisie gaan uitzenden, die het belang van een aanval op Irak duidelijk moeten maken. Amerikaanse diplomaten en CIA-agenten vinden het INC onbekwaam en onbetrouwbaar. De Amerikaanse speciale gezant voor het Midden-Oosten, Anthony Zinni, noemde de organisatie onlangs ,,die zijden pakken, Rolex-dragende mannen in Londen''. Arabische diplomaten en andere oppositiegroepen noemen het een `slaaf' van de VS.

In Washington waren verder bij het recente gesprek met de Amerikaanse regering aanwezig Sharif Ali bin-Hussein, lid van de in 1958 onttroonde Iraakse koninklijke familie en leider van de Beweging voor een Constitutionele Monarchie, en vertegenwoordigers van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) en de Koerdische Democratische Partij (KDP). Dit zijn de belangrijkste Koerdische oppositiepartijen in Noord-Irak en zij worden beschermd door Amerikaanse en Britse patrouillevliegtuigen. Samen zouden de twee organisaties beschikken over zeker 80.000 gewapende strijders, waarmee de PUK en de KDP een geloofwaardige militaire tegenstander zouden zijn, maar ze zijn onderling verdeeld. Bovendien staan de organisaties aarzelend tegenover een Amerikaanse aanval, tenzij zij de garantie krijgen dat het Koerdische noorden onafhankelijk wordt. Buurland Turkije is hier tegen.

Ook de in Teheran en Londen gevestigde, shi'itische Hoogste Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI) is tegen een Amerikaanse aanval. De SCIRI meent dat een opstand tegen Saddam Hussein van binnenuit moet gebeuren. De organisatie is bovendien boos omdat de Amerikanen in 1991 geen hulp wilden geven bij een shi'itische opstand. De VS vreesden lange tijd dat de SCIRI een dekmantel was van de Iraanse regering.

Voorstander van een Amerikaanse aanval zouden mogelijk de Iraakse Nationale Liberalen, geleid door Thair Nakib, en de Iraakse Nationale Overeenkomst zijn. Beide groeperingen bestaan uit overgelopen hoge militairen, die mogelijk nog banden met het Iraakse leger hebben. Nakib wordt, net als generaal Nizar al-Khazraji, binnen het Pentagon als rijzende ster gezien. Deze laatste, die in Denemarken woont, wordt echter door de Deense justitie onderzocht wegens het gebruik van gifgas tijdens aanvallen op Koerden in 1988.

Na afloop van de bijeenkomst zeiden de groepen ,,een vrij Irak'' te willen. Maar voor Amerikaanse diplomaten was duidelijk dat de tweedracht zo groot is, dat een `Afghaans model' niet zal werken. Gezant voor het Midden-Oosten Zinni waarschuwde voor een `Varkensbaai-fiasco', daarmee doelend op de poging van de VS in 1961 om de Cubaanse president Castro af te zetten. ,,Deze mensen hebben een verschillende achterban en verschillende belangen'', aldus Zinni.

De zes belangrijkste Iraakse oppositiegroepen die onlangs in Washington waren, zijn er zelf van overtuigd dat ze tot een overeenstemming zullen komen. Zij kondigden twee weken geleden aan een alternatieve, democratische regering in ballingschap te willen oprichten. Zij willen ,,zo snel mogelijk'' in ,,een Europees land'' een bijeenkomst met andere groepen uit het bonte oppositieleger organiseren.