Generaties

Omdat ik van de generatie ben die geleerd heeft dat je de goden niet mag verzoeken, omdat zelfs het afkloppen op ongeverfd hout dan niet helpt, zeg ik verder niets over het periodieke vraaggesprek van Vrij Nederland met Jan Blokker, Harry Mulisch en H.J.A.Hofland, behalve dat ze telkens na het verschijnen over belangstelling niet te klagen hebben. Het lijkt erop dat genoemd drietal zich erop laat voorstaan dat het `de oorlog heeft meegemaakt' toen ze tussen twaalf en zeventien waren. Daarna nog de `wederopbouw' en de merkwaardige periode die in Nederland de `Indonesische kwestie' wordt genoemd, vier jaar oorlog waarin we in totaal tegen de 200.000 man aan de andere kant van de wereld hebben verscheept om volstrekt op eigen houtje een vergeefse strijd te vechten. Vergelijk het eens met de eerste Golfoorlog. We zeuren er niet meer over.

Dit betoogje gaat verder over een algemene vraag. De leeftijd tussen, ruim genomen tien en achttien, wordt als een `vormende periode' beschouwd, en niet alleen in de westerse cultuur. Men nadert tot man en waardigheid, of, zoals we sinds de jaren zestig zeggen, tot mens en waardigheid. Hoe komt het dat we man door mens hebben vervangen? Omdat in de jaren zestig de grondslag voor de voltooiing van de algemene emancipatie is gelegd. Mankracht werd menskracht. Dat was maar een enkel deel van de grote veranderingen. Evenmin als de `oorlogsgeneratie' van hierboven (er zijn er meer) raakt de generatie die in de jaren zestig de overgang naar de volwassenheid heeft beleefd, over zijn avonturen uitgepraat.

Dat kunnen we dan weer beschouwen als een persoonlijke hebbelijkheid van iedereen die tot de babyboomers hoort. Maar in het algemene discours, in het politieke debat, aan de borreltafel, en ook in de wetenschap is er een niet geringe school van maatschappijbeschouwers die ertoe overhelt de jaren zestig, de `culturele revolutie' van dat decennium, (of de counter culture zoals het in Amerika wordt genoemd) de schuld te geven van alles wat de wezenlijke westelijke waarden ondermijnt. Van de doorgeschoten tolerantie tot seks in het Oval Office.

Waar of niet, daar ga ik hier niet op in. Het gaat om de grondslag van deze redenering: dat de vorming van de generatie in aantocht van grote invloed is op de manier waarop ze zich in volwassenheid zal gedragen, als het haar beurt is om de leiding over te nemen, en dus onherroepelijk haar stempel op de maatschappij te zetten. Dat is niet een vraag die interessante discussies tussen 75- en 80-jarigen kan veroorzaken, waarmee 60-jarigen zich dan weer vermaken terwijl degenen die jonger zijn dan 55 andere dingen aan hun hoofd hebben. Je kunt je concreet afvragen, wat degenen die tussen 1990 en 2000 hun vormende jaren hebben beleefd, van hun ervaringen zullen laten merken als ze straks, in 2010? in ieder geval op z'n laatst in 2020, de leiding hebben overgenomen.

Over één kant van het vraagstuk hoeven we, dunkt mij, in ieder geval geen ruzie te krijgen. Met het einde van de Koude Oorlog is een nieuw tijdvak aangebroken. Het grote, alomvattende conflict en dus de permanente dreiging van de volgende wereldoorlog leek verdwenen te zijn. De grote politiek loste zich vanzelf op. In plaats daarvan kwam het zogenoemde primaat van de economie waardoor vooral tegen het einde van het decennium leek vast te staan dat de poorten naar Luilekkerland definitief waren geopend. Waarschijnlijk nooit in de geschiedenis hebben zoveel jongeren zulke vrolijke, onbezorgde jaren beleefd. En afgezien daarvan, ik weet ook bijna zeker dat, als ik de dames en heren omstreeks 2060 zou spreken, ze me allemaal zouden verzekeren dat geen enkele generatie een zo mooie, interessante, avontuurlijke, meeslepende jeugd heeft gehad als deze, van de dan omstreeks 75-jarigen. Als het daarop aankomt, hebben alle 75-jarigen altijd gelijk en de 80 en 90-jarigen ook.

Maar hoe zullen zij hun maatschappij vormen, wat zullen zij nalaten aan hùn kinderen, wat zal hun erfenis zijn? Daarover kunnen we nu wel speculeren. Want zoals het er nu uitziet, is deze generatie opnieuw die van een breuk. Dient zich, nu voor iedereen zichtbaar, de nieuwe werkelijkheid aan: de tegenstelling tussen het onvoorstelbaar rijke, wetenschappelijk en technisch geavanceerde, machtige westen en de rest van de wereld die juist door de mondialisering door zijn achterstand wordt aangegrijnsd? Hoe wordt deze tegenstelling dan uitgevochten of opgelost? Door een louter militaire confrontatie tussen overmacht en rijkdom, en achterstand op alle fronten? Door een langzame maar rigoureuze herziening van alle mondiale verhoudingen? Hebben de komende generaties daarvoor een intuïtie ontwikkeld, hebben ze het begin van hun eigen diagnose gesteld? Hebben ze in de afgelopen tien jaar iets over de vraagstukken van de komende tijd geleerd, al is het maar een vermoeden? Hoe zullen ze reageren? Met herpolitisering? Onder welke vlag, met welk programma?

Eerlijk gezegd, ik heb er geen idee van. Present at the Creation noemde Dean Acheson zijn memoires, waarin hij onder meer verslag doet van de herbouw na de Tweede Wereldoorlog. Deze staatsman heeft bewezen recht van spreken te hebben. En wat meer zegt: in de periode waarin hij, Marshall, Truman, en ook Attlee, Adenauer de grote lijn bepaalden, wisten ze te overtuigen. In de Koude Oorlog is de vernietigende confrontatie vermeden, door een leiderschap dat zich de Tweede Wereldoorlog herinnerde. Daarna is in het westen het tijdvak van het grote feest begonnen. Ik ben benieuwd hoe George W.Bush zijn memoires zal noemen.