Duurzame ontwikkeling is meer dan milieu

De WRR kijkt door een te enge bril naar mondiale ontwikkelingen, menen Irene Dankelman en Hans Opschoor.

Eind deze maand komen regeringsleiders uit de hele wereld in Johannesburg bijeen voor de wereldtop over duurzame ontwikkeling. Voor minister-president Balkenende zal dit een vuurproef zijn – hopelijk. Hij moet dan wel gaan. Maar gezien het feit dat tijdens de formatie ervoor gekozen is om de ministers voor Ontwikkelingssamenwerking en Milieu om te ruilen voor een staatssecretaris, heeft hij geen keus. Tenminste, als Nederland aan de rest van de wereld wil duidelijk maken dat het wat duurzame ontwikkeling betreft in de voorhoede wil blijven.

Er zijn redenen voor Nederland om die rol te willen blijven spelen. Daarbij hoeft niet alleen te worden gewezen op de milieu- en ruimteproblematiek in eigen land. Zeker nu wij veel meer dan economisch zwakkere landen profiteren van globalisering en internationale handelsrelaties, en veel financiën vanuit het Zuiden via schuldenconstructies rechtstreeks terugvloeien in de Nederlandse staatskas, is het geen kwestie van solidariteit, maar veeleer van rechtvaardigheid dat financiële en andere middelen beschikbaar worden gesteld voor internationale samenwerking. Nu de 0,8 procent BNP bijdrage aan ontwikkelingshulp gehandhaafd blijft, is te hopen dat de vervuiling van dat budget met uitgaven ten behoeve van asielzoekers in ons land beperkt blijft. En het is te hopen dat Nederland zijn internationale positie inzake het openstellen van markten en het afbouwen van protectieregimes (voor landbouw, bijvoorbeeld) niet alleen handhaaft, maar ook actief uitdraagt.

De premier heeft overigens als het om duurzame ontwikkeling gaat niet alleen een boodschap af te leveren in Johannesburg: hij heeft ook huiswerk. Met de degradatie van genoemde ministerposten is niet alleen de stem van 80 procent van de wereldbevolking in de ministerraad verstomd. Ook de coördinatie van het nationale beleid en dit plaatsen in een langetermijnperspectief, iets wat een minister voor Duurzaamheid zou hebben kunnen doen, verdient dat deze aspecten worden herkend als een `zaak van algemeen belang', die dus op het hoogste politieke niveau wordt opgepakt.

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft in zijn recente rapport Duurzame Ontwikkeling: Bestuurlijke voorwaarden voor een mobiliserend beleid bepleit om die zorg maar bij de minister voor Milieu te parkeren – maar die is er niet meer.

De WRR deed dat trouwens op grond van een argumentatie die problematisch is. De Raad signaleert dat de opvatting over duurzame ontwikkeling te breed, en daarmee misleidend is. Terecht zegt de Raad dat bijvoorbeeld `dwarsverbanden tussen de school-, zorg- en sociale systemen' moeilijk als duurzame ontwikkeling kunnen worden aangemerkt. Maar wij delen niet de conclusie van de WRR dat duurzame ontwikkeling tot milieu moet worden vernauwd. Wat juist uniek is aan het door de commissie-Brundtland in Our Common Future (1987) gelanceerde begrip, is dat het erkent dat het van wezenlijk belang voor het welzijn van huidige en toekomstige generaties is om economische, sociale en ecologische aspecten in onderling verband te brengen. Dat betekent dat geen sprake kan zijn van duurzame ontwikkeling als je de milieuconsequenties van economie uit het oog verliest, maar ook niet als mensen daar niet beter van worden. Zoals de Heinrich Boell Foundation onlangs in zijn `Johannesburg Memorandum' constateerde: `No Ecology without Equity – No Equity without Ecology'; samen met het oude motto van het Nederlandse milieubeleid: `geen economie zonder ecologie v.v.' vormt dat een mooie omschrijving van duurzaamheid.

`Johannesburg' zal bevestigen dat wereldwijd een dergelijke interdisciplinaire opvatting wordt gebezigd, en in vele gremia wordt toegepast. Al decennia trouwens. En als in eigen land gekeken wordt, krijgt duurzame ontwikkeling in zijn brede opvatting – vaak zonder enige overheidsbemoeienis – op velerlei wijze vorm: in onderwijs, bedrijfsleven, in samenwerkingsverbanden en brede fora, zoals het Nationaal Platform Johannesburg 2002, waarvan meer dan 140 niet-gouvernementele organisaties en instituties uit de milieuhoek, de ontwikkelingswereld, consumentengroepen, ondernemers en het onderwijs lid zijn.

Met het afschaffen van de minister van Milieu slaat Nederland internationaal een enorme flater: elders wordt steeds meer erkend dat milieuvraagstukken niet alleen op nationaal, maar ook op mondiaal niveau een enorme inzet vereisen.

Drs. I. Dankelman en prof.dr. H. Opschoor zijn co-voorzitters van het Nationaal Platform Johannesburg 2002.