Duurzaamheid is te ver opgerekt

Het idee van duurzame ontwikkeling, dat centraal staat op de komende top in Johannesburg, begint versluierend te werken omdat er te veel verschillende elementen onder worden gebracht. Zo wordt verhuld dat keuzes onvermijdelijk zijn, vinden Cock Hazeu en Jan Schoonenboom.

De afgelopen vijftien jaar is het begrip `duurzaamheid' hoog op de politieke en maatschappelijke agenda gekomen. Politici, burgers en bedrijfsleven onderschrijven het graag. Duurzaamheid heeft het aureool gekregen van `goed' en `gewenst' – je kan er niet tegen zijn.

Vanaf maandag vergaderen 180 landen hierover twee weken in Johannesburg, onder de vlag van de VN. Ze vertellen welke vorderingen ze gemaakt hebben op het gebied van duurzaamheid en wat ze verder van plan zijn. Daarbij gaat het niet alleen over milieu of ecologische waarden, maar ook over goed onderwijs, werkgelegenheid of pensioenstelsels.

Het bevestigt de betekenis die `duurzaamheid' heeft gekregen als een allesverzoenend principe dat als een warme deken over belangentegenstellingen en te maken keuzes wordt gelegd. Die oprekking van het duurzaamheidsbegrip betekent dat de verhalen alle kanten op zullen gaan. Daar is niets op tegen. Het is winst wanneer overheden, organisaties en burgers tonen er oog voor te hebben dat de gevolgen van hun gedrag verder reiken dan hun eigenbelang. Maar daarmee zijn de belangentegenstellingen niet de wereld uit.

In 1987 was het een gouden greep van de commissie-Brundtland om de tegengestelde belangen van ontwikkelde en ontwikkelingslanden en van huidige en toekomstige generaties onder die noemer van duurzaamheid te brengen. Maar sindsdien is het begrip steeds verder opgerekt en zijn op milieuterrein te weinig concrete resultaten geboekt – ook Nederland gaat de toch al zeer beperkte Kyoto-doelstelling voor CO2-reductie vermoedelijk niet halen. Het heeft ertoe geleid dat keuzes vooruit zijn geschoven. De suggestie wordt zelfs in de hand gewerkt dat helemaal geen keuzes gemaakt zouden hoeven te worden als we `allemaal' – ontwikkelde en ontwikkelingslanden; overheden, bedrijfsleven en consumenten – werken aan het gezamenlijke doel. Zo dreigt het beleid een cerebraal niveau te blijven steken. Er worden nota's en verkenningen geschreven waarin alles met alles wordt verbonden, en aan het eind van het liedje zit iedereen met de handen in het haar: wat moet er gebeuren?

Een duurzaamheidsbegrip dat zo ruim is dat alles wat goed en mooi is eronder valt, leidt niet tot de keuzes die gemaakt moeten worden om tot een concreet beleid te komen. Die keuzes worden er eerder door versluierd. Ook het document dat de Nederlandse regering over duurzaamheid voor Johannesburg opstelde, is doortrokken van de wens alle beleid onder dat duurzaamheidsprincipe te brengen.

Het advies dat de WRR vorige maand aan de regering uitbracht, kan daarom beschouwd worden als een vloek in die duurzaamheidskerk. De WRR stelt voor om bij duurzaamheid weer terug te keren naar het oorspronkelijke uitgangspunt en de ecologische invalshoek centraal te stellen. Daardoor kan zicht ontstaan op de afwegingen die dat vergt met economische en sociaal-culturele doelen.

Duurzaamheid is alles geworden en tevens: niets. Het begrip geeft niet aan dat keuzes moeten worden gemaakt, en welke keuzes dat zijn. Bij keuzes zijn er immers altijd winnaars en verliezers, zeker in een `vol' en welvarend land als Nederland waarin iedereen zijn claims op tafel legt. En dus moet ook pijn geleden worden. Immers, kiezen is verliezen.

Dit komt ook tot uitdrukking zodra het allesverzoenende duurzaamheidsprincipe moet worden omgezet in concreet beleid maken. En hoewel politici graag houvast zoeken bij `de wetenschap', kan die in veel gevallen niet ondubbelzinnig voorschrijven wat er al dan niet moet gebeuren. De keuzes zijn en blijven politiek. Verder is concreet beleid maken, ook bij complexe problemen, altijd weer een kwestie van kleine stappen. En onvermijdelijk is dat soms een kwestie van twee stappen vooruit en weer een stap terug.

Die kenmerken vragen om processen van zoeken en tasten om iets te kunnen bereiken. Daarbij moet worden geëxperimenteerd, geleerd en gebenchmarkt, en ook gebruik worden gemaakt van `lokale' kennis. Die richting van beleid maken kan alleen tot wasdom komen als de beleidsmakers de maatschappij ook voorhouden dat een lange adem nodig is, in plaats dat `Den Haag' het maatschappelijke ongeduld overneemt.

Het valt te hopen dat in Johannesburg enige stappen voorwaarts worden gezet op het niveau van concrete thema's, zoals energie, water, gezondheid en biodiversiteit. Maar gevreesd moet worden voor een grote spraakverwarring, als onder het motto duurzame ontwikkeling wordt geprobeerd `alles met alles' te verbinden. Dergelijke mammoetbijeenkomsten leveren ongetwijfeld belangrijke ontmoetingen en statements van staatshoofden en regeringsleiders op, maar een mobiliserend ecologisch beleid is er bij gebaat om dichter bij de ecologische problemen te blijven, en daar de inspiratie te vinden.

Na Rio (1992) en Johannesburg lijkt de beste vorm voor internationale samenwerking te liggen in contacten tussen groepen van landen met gemeenschappelijke problemen (bijvoorbeeld water, delta's), belangen (zoals productie versus gebruik van hardhout) of kenmerken (bijvoorbeeld grote bevolkingsdruk). Dan kunnen landen leren van elkaars ervaringen en geleidelijk ook mechanismen ontwikkelen om elkaar aan afspraken te houden.

Cock Hazeu en Jan Schoonenboom zijn verbonden aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.