Sportbolwerk Cuba staat op instorten

De Cubaanse sport lijdt onder de economische crisis van het land. Door gebrek aan geld is topsport bijna onmogelijk. Voor veranderingen is het wachten op de dood van Fidel Castro.

Het Nederlands volleybalteam won onlangs in de World League vier keer van Cuba. Een dergelijke serie was tot voor kort ondenkbaar, maar sinds de desertie van zes spelers is Cuba zeer verzwakt. De vrije val van het volleybalteam is exemplarisch voor de Cubaanse sport, die er door de economische crisis op het eiland slecht voorstaat. Waar de autoriteiten de problemen bagatelliseren, tekent de dagelijkse praktijk een sombere werkelijkheid. Een sportbolwerk staat op instorten.

De kracht van het Cubaanse sportmodel openbaart zich nu als zijn zwakte. Volgens goed communistisch gebruik is de sport op Cuba – organisatorisch én financieel – een staatsaangelegenheid. Nu Cuba nagenoeg failliet is, keert de afhankelijkheid van de overheid zich tegen de sport. Het Instituto Nacional de Deportes Educación Física y Recreación (Inder), dat functioneert als een ministerie van Sport, kan met pijn en moeite geld bij elkaar schrapen om topsporters nog enigszins op niveau te houden.

Volgens de officiële gegevens van Inder is dit jaar 160 miljoen dollar op de rijksbegroting voor sport gereserveerd, maar dat bedrag wordt in het veld een gotspe genoemd. Op de nationale trots honkbal na, vragen sporters en trainers zich af waaraan dat geld dan wordt uitgegeven. Men gelooft er geen snars van.

Een gemiddelde nationale ploeg die deel uitmaakt van het olympische programma kon tot voor kort rekenen op een basisbudget van 60.000 dollar per jaar. Dat bedrag is gereduceerd tot nul. Voor elke wedstrijd moet een verzoek worden ingediend en de praktijk leert dat daarvan nog een deel wordt geschrapt. Het is geen uitzondering dat een aanvraag voor uitzending van bijvoorbeeld veertien atleten naar een internationaal kampioenschap wordt gehonoreerd voor slechts acht personen. Het standaardargument: geen geld. Inder doet bij de selectie aan scherpe kansberekening. Voornamelijk atleten met uitzicht op een gouden medaille worden uitgezonden.

De tijd is voorbij dat een ploeg Cubaanse sporters op trainingskamp ging wanneer ze wilde of op hoogtestage ging als dat gewenst werd geacht. Zelfs de dagelijkse trainingen op de nationale sportinstituten worden in soberheid afgewerkt. De dagelijkse praktijk is bijvoorbeeld dat de schermers van elkaar helmen, pakken en wapens lenen om te kunnen trainen. Zij behoorden ten tijde van de Spelen in Sydney tot de wereldtop, maar krijgen sindsdien buiten de WK om geen geld om buitenlandse toernooien te bezoeken.

Tegen de tijd dat een groot kampioenschap nadert, versoepelt dat regime enigszins. Dat is bijvoorbeeld merkbaar aan de kwaliteit van de maaltijden; de atleten krijgen de laatste drie maanden voor een groot toernooi plotseling beter te eten. Voor potentiële deelnemers aan de Centraal-Amerikaanse Spelen breken er binnenkort dus betere tijden aan. Voor Cuba zijn die regionale kampioenschappen – eind november in El Salvador – een prestige-evenement. Uitzending van de Cubaanse ploeg naar El Salvador wordt niet door Inder betaald, maar rechtstreeks door de staat bekostigd, omdat het als een belangrijke propaganda-activiteit wordt gezien. Die lijn wordt ook gevolgd als het om toernooien gaat waaraan Amerikanen deelnemen. Cuba ontleent een deel van zijn identiteit aan zeges op `de kapitalistische vijand' en gebruikt in die strijd de sport graag als wapen.

Het is ook een publiek geheim dat op gezag van president Fidel Castro het de Cubaanse honkballers aan niets ontbreekt. De veruit populairste sport op Cuba is een speerpunt in de strijd tegen aartsvijand Verenigde Staten, waar honkbal ook een grote sport is. Naast enkele grootheden uit de atletiek, als hoogspringer Javier Sotomayor, hardloopster Ana Fidelia Quirot en verspringer Ivan Pedroso zijn de honkballers de iconen van de Cubaanse sport, die over privileges als mooie huizen en dure auto's beschikken.

Die status hebben de volleyballers niet, anders zou het zestal internationals na afloop van een toernooi in België eind vorig jaar niet de wijk naar Italië hebben genomen. Een vlucht uit woede, omdat de Cubaanse autoriteiten – als straf voor het niet winnen van de World League – terugkwamen van hun toestemming om Angel Dennis, Ihosvany Hernandez, Jorge Luis Hernandez, Lionel Marshall, Jasser Romero en Ramon Gato in de Italiaanse competitie te laten spelen. De persoonlijke consequenties zijn groot, want de gevluchte volleyballers mogen hun land niet meer in. Na verblijf van een jaar in het buitenland moeten zij een visum aanvragen om terug te mogen keren. Mocht dat verzoek worden gehonoreerd, dan kunnen zij er op rekenen bij aankomst te worden vastgehouden. Voor de achtergebleven familieleden blijft de vlucht evenmin zonder gevolgen. Zij mogen bijvoorbeeld hun land niet meer verlaten.

Zonder toestemming van de Cubaanse volleybalfederatie zijn de zes volleyballers twee jaar lang niet speelgerechtigd. En ze hoeven niet op medewerking van de bond te rekenen, vertelt vice-voorzitter en oud-volleybalinternational Angel Iglesias, die als vice-president van Inder tevens een sleutelpositie in de Cubaanse sport inneemt. Hij is onder meer verantwoordelijk voor het olympische programma van Cuba. ,,Wij zullen die permissie nooit geven'', zegt Iglesias. ,,Het is diefstal van atleten door een rijk, westers land. Italië heeft genoeg mogelijkheden zelf volleyballers op te leiden. Het steekt dat onze atleten worden `gestolen'. Het is een schande. Nee, betreffende spelers mogen nooit meer voor de nationale ploeg uitkomen. Zij zijn ongedisciplineerd geweest en hebben de Cubaanse vlag verraden. Meer wil ik er niet over zeggen.''

Overigens erkent Iglesias ruiterlijk dat de Cubaanse sport heeft te lijden onder de recessie. Maar naar zijn zeggen zal dat niet zichtbaar zijn in de resultaten. ,,Het is moeilijk om internationaal bij te blijven, omdat we de ontwikkelingsprogramma's voor sport op de scholen hoe dan ook willen uitvoeren. Desondanks voorspel ik dat Cuba tijdens de Spelen van 2004 in Athene voor de vierde keer op rij bij de eerste tien in het medailleklassement zal eindigen. Voor tien sporten garanderen we het olympische niveau. Dat zijn honkbal, volleybal, atletiek, schermen, zwemmen, kanovaren, boksen, taekwondo, worstelen en judo.''

De economische crisis is volgens de Cubanen een gevolg van het Amerikaanse embargo. Buitenlandse deskundigen noemen dat onzin, omdat er buiten de Verenigde Staten genoeg andere landen zijn om zaken mee te doen. Zij wijzen op de kwetsbaarheid van de zes belangrijkste Cubaanse exportartikelen; tabak, nikkel, suiker, koffie, citrusvruchten en toerisme. Die sectoren zijn sterk afhankelijk van de prijzen op de wereldmarkt, terwijl het toerisme sinds 11 september is teruggelopen. Cuba krijgt bovendien zijn dollarinkomsten uit het exporteren van onbewerkte (goedkope) primaire goederen en koopt zelf voor die dollars in het buitenland bewerkte (dure) eindproducten. Maar zeker zo belangrijk is de verstikkende werking van de inefficiënte staatseconomie. Cuba is, ondanks de lage lonen (een gemiddeld maandsalaris is tien dollar), al jaren niet meer in staat producten tegen een concurrerende prijs te leveren. Het ontbreekt Cuba als gevolg daarvan aan de nodige deviezen. En de sport lijdt daar zwaar onder.

Voor veranderingen is het volgens zowel buitenlandse als Cubaanse deskundigen wachten op de dood van de 75-jarige Fidel Castro. Die hoop wordt op Cuba ,,de toekomstige door de biologie gedicteerde verandering'' genoemd. Tot zo lang heeft de Cubaan geduld. Hij wordt alleen zenuwachtig als iemand hem erop wijst dat de koningin-moeder van Groot-Brittannië 101 jaar is geworden.