Rit

Op een snikhete middag stapte ik op de Westermarkt in Amsterdam in een taxi. Met de nodige spoed moest ik naar een bestemming aan de rand van de stad. De chauffeur was een man van half in de vijftig, zijn gezicht zag grauw en gespannen. Omdat de vier raampjes van zijn auto helemaal geopend waren, ontstond er een sterke tocht toen hij optrok. Ik vroeg hem of de raampjes wat hoger mochten, en hij voldeed met een knor aan mijn verzoek.

Daar gingen we, in hoog tempo, hoewel ik niet gezegd had dat ik haast had. Amsterdamse taxichauffeurs hebben altijd zélf haast, dat is voldoende.

Ik was zo onverstandig om te vragen hoe de zaken ervoor stonden. Voordat hij me antwoord gaf, liet hij zijn auto nog als een tijger naar een overstekende toerist springen die eens te meer beseft moet hebben dat elke reis je laatste kan zijn.

Toen wendde hij zijn ogen van het wegdek hij zou dat nog veel vaker doen en keek me verbeten aan. ,,Waardeloos natuurlijk'', zei hij, ,,compleet waardeloos.''

Hij haalde onder het rijden een bruin formulier tevoorschijn waarop zijn ritten van die dag stonden aangetekend. ,,Vanmorgen om kwart over vijf ben ik begonnen'', zei hij, ,,en weet u hoeveel ritten ik heb gemaakt? Dertien! Tot zeven uur moet ik vanavond nog doorgaan. Dan heb ik weer een schijntje verdiend. Een schoonmaker zou het er niet voor doen. Wij taxichauffeurs zijn het laagste van het laagste geworden.''

Hij begon herinneringen op te halen aan de goeie, ouwe tijd, toen de klant nog zoveel liefde voor de chauffeur had dat hij hem beloonde met een vorstelijke fooi, waar de chauffeur zijn gezin weken van kon onderhouden, nadat hij er eerst voor zichzelf een borreltje ééntje maar – van had gekocht. ,,Twaalf jaar geleden ben ik begonnen'', zei hij, ,,daarvóór heb ik een heel ander bestaan gehad. Ik ben eruit gestapt omdat ik een zoon moest opvoeden.''

Dat eerdere bestaan fascineerde me, maar hij bleef er vaag over, en begon me te overspoelen met cijfers. ,,Toen ik begon, waren er nog maar 800 chauffeurs, nu zijn het er 4.000. Als u een beetje kunt rekenen, zult u begrijpen hoe ik ervoor sta. Om me heen gaan ze bij bosjes failliet, ik red het alleen maar omdat ik mijn vergunning van 90.000 gulden destijds meteen heb betaald.''

Ik geef zijn tekst nu onverantwoord kort weer, het is niet meer dan een ruwe synopsis van een tirade die zeker twintig minuten duurde en die in de eerste én de laatste plaats tegen de schoften van de overheid gericht was.

We naderden een druk verkeersplein. ,,Mijn leven is naar de klote'', zei hij, ,,voor mij hoeft het niet meer, ik zie wel waar het schip strandt.'' Hij nam het plein zonder gas terug te nemen en schoot op een straathoek af. ,,Ik verwacht niets meer'', zei hij, ,,het is over.''

Ik kreeg een visioen: samen met een wanhopige Amsterdamse taxichauffeur de dood in, het had wel iets. Als onze lijken uit het wrak waren gezaagd, zou de politie eerst nagaan of ik die chauffeur had willen beroven. Maar laat het voor eens en voor altijd duidelijk zijn: bij Amsterdamse chauffeurs valt niets meer te roven.