Provinciale dilemma's

Aangaande zijn buitenlands beleid lijdt het kabinet-Balkenende onder een ,,gebrek aan ambitie'', schreef Bart Tromp begin deze maand in Elsevier. Hij noemde de anderhalve pagina die het regeerakkoord aan Nederlands positie in de wereld besteedt ,,provinciaals'' omdat niet wordt ingegaan op dilemma's in Europa en de Atlantische betrekkingen. Wat gaat Nederland bijvoorbeeld doen als Amerika de voorbereiding voor een oorlog tegen Irak doorzet, vraagt hij zich af. Hij is de enige niet, ook J.L. Heldring bepleitte afgelopen donderdag op deze pagina een spoedig Nederlands antwoord op die vraag.

De kwalificatie provinciaals ziet Tromp bevestigd in de keuze van de nieuwe bewindspersonen op Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie. Tevreden is hij erover dat de ministerspost voor OS een staatssecretariaat is geworden ,,conform mijn pleidooi `Hef ministerie op' (Elsevier, 29 juni 2002)'. Maar, schrijft hij, staatssecretaris Van Ardenne ,,boezemt geen enkel vertrouwen in, alleen al vanwege de oliedomme manier waarop zij zichzelf en haar partij voor het JSF-karretje heeft laten spannen''. Nu was en is Tromp zeer tegen de JSF-deal. Maar zou je de deugdelijkheid van politici alleen aan hun opvatting over die deal kunnen toetsen? De Nederlandse deelneming in de ontwikkeling en productie van dat Amerikaanse vliegtuig is inmiddels door de nieuwgekozen Tweede Kamer aanvaard, terwijl in het JSF-dossier te vinden is dat het tweede kabinet-Kok en de toenmalige PvdA-fractieleider Melkert er althans begin dit jaar ook voor waren. Zo gezien zouden bij hantering van Tromps JSF-toets maar weinig kandidaat-bewindslieden zijn overgebleven.

Maar Tromp en veel anderen hebben een punt wanneer zij de regering vragen om een standpunt over de Atlantische relaties. Die hebben immers altijd `een hoeksteen' van het Nederlandse beleid gevormd en wie wel eens een krant leest kan moeilijk aan de indruk ontkomen dat er met die hoeksteen iets aan de hand is. Méér nog: waar vóór 1989/'90 de NAVO en de Europese Gemeenschap, ook de daarin geïntegreerde West-Duitsers, mede bijeengehouden werden door angst voor de Sovjet-Unie, lijkt het nu alsof in de EU een zeker anti-Amerikanisme een bindende factor is geworden. We spreken niet met één stem, het lukt ons op dit gebied zelfs niet onze eigen, verhoudingsgewijs bescheiden afspraken na te komen, bijvoorbeeld die over een interventiemacht van 60.000 militairen in 2003, maar we hebben in Washington, zeker sinds de jonge Bush daar baas is, wél een gemeenschappelijke externe aversiefactor. Groot-Brittannië is een uitzondering en toegegeven moet ook nog worden dat Bush een scherper oog heeft voor gelegenheden om Europeanen tegen zich in te nemen dan zijn voorgangers. Namelijk door hen wel bondgenoten te noemen en solidariteit te vragen, maar bijna even vaak als verminderd relevant of zelfs als quantité négligeable te beschouwen of te behandelen.

Overigens kan hier makkelijk de vraag opkomen of de Europeanen, die Washington respecteert of zelfs vreest als handelsconcurrent, zo'n Amerikaanse houding niet zelf in de hand hebben gewerkt. Namelijk met hun eeuwige verdeeldheid, hun neiging om op veiligheidsgebied voor een euro op de eerste rang te willen zitten. En hun neiging om de verzekering van hun veiligheid en strategische belangen (olie, wereldhandel) onverminderd grotendeels aan de VS over te laten en tegelijkertijd met regelmaat de wijsvinger richting Washington te heffen. Wanneer dat laatste met recht en reden gebeurt, is het spijtig dat de Europese verdeeldheid en materiële zwakte op veiligheidsgebied er óók aan lijken bij te dragen dat de Europese invloed op de enige overgebleven supermacht afneemt. Opmerkelijk in het stuk van de Amerikaanse oud-minister Henry Kissinger dat de Volkskrant zaterdag afdrukte (veelzeggende titel: VS moeten macht vertalen in samenwerking) was behalve zijn waarschuwing voor de risico's van een militaire actie tegen Irak ook dat hij Europa maar één keer, terloops, noemde.

Heldring schreef vorige week dat Nederland, zeker nu één stem van de EU weer niet tot de mogelijkheden lijkt te behoren, snel met een standpunt moet komen omdat ook binnen de VS de discussie over de risico's van een militaire actie tegen Irak op gang is gekomen en Nederland zijn beperkte invloed natuurlijk tijdens het besluitvormingsproces geldend moet zien te maken. Dat is logisch, maar te vrezen valt dat de Nederlandse opvatting, of zelfs die van de EU, er in Washington inzake de kwestie-Irak al niet zoveel meer toe doet. Het ziet ernaar uit dat de EU-landen op veiligheidsgebied eerst iets aan zichzelf moeten doen om invloed in Washington te herwinnen. Al ontheft dat Den Haag nu niet van de verplichting een verstandige mening te geven. Liefst niet een die zegt: uw unilateralistische president is verkeerd bezig, u doet de laatste tijd veel verkeerde dingen, wij doen niet met u mee en raden u liever niets te doen.

Kanselier Schröder, een opportunistische man in verkiezingsnood, had al te verstaan gegeven dat Duitsland niet aan een Amerikaans `avontuur' tegen Irak meedoet. Dat zal Washington goed onthouden. De Bondsrepubliek is het grootste lid van de EU en heeft de afgelopen vijftig jaar aardig wat te danken gehad aan de VS, bijvoorbeeld aan Bush senior toen in 1989 de Duitse eenwording in zicht kwam. De VS hebben nu officieel hun beklag in Berlijn gedaan. Het is nog niet zo lang geleden dat Schröder met succes oorlog maakte met de Europese Commissie, die een brandbrief overwoog omdat de Duitsers begrotingstechnisch aan de grenzen raakten van het vooral door henzelf geëiste Stabiliteitspact. Nieuwe Duitse prioriteiten in Atlantis en de EU? Of gaat het eenvoudig om een verdere ,,normalisering' van de Duitse bondgenoot in een verdeeld continent?