De markt moet beter worden bewaakt

De hausse van de jaren '90 heeft weinig innovatie opgeleverd, maar vooral verschuiving van rijkdom waarvan vooral topmanagers profiteerden. Koersen werden omhooggejaagd, waarbij leugens en bedrog niet werden geschuwd. Overheid en bonden moeten proberen de managmentkaste weer in fatsoenlijk vaarwater te dwingen, meent Arie van der Zwan.

Het verlies van vertrouwen in `de markt' valt niet meer te loochenen, daarvoor is de crisis te manifest geworden. De grootste `markt die-hards' moeten bakzeil halen nu het ene schandaal na het andere de koersen op de aandelenmarkt gehalveerd heeft, de faillissementen toenemen, de pensioenpremies drastisch verhoogd moeten worden en werknemers de wacht aangezegd krijgen. Niemand kan er meer omheen: de zeepbel is geknapt en de directe gevolgen voor de gewone man liegen er niet om.

Ook de regeringsautoriteiten hebben hun pogingen om de economie uit het moeras te praten, moeten staken. Het gehoopte herstel dat met hun psychologische steun in de rug de economie door het dal heen had moeten trekken, is uitgebleven. De geflatteerde groeicijfers moesten bijgesteld worden en de recessie is nu ook officieel toegegeven.

Nu is een recessie op zich niets opzienbarends, na een lange periode van hoogconjunctuur en `bull-market' met al maar stijgende koersen, al helemaal niet. Maar deze recessie is niet zomaar een economische inzinking. Alan Greenspan, het hoofd van de Amerikaanse centrale bank, mag dan volharden in zijn stellingname tegen de negatieve stemming en blijven beweren dat ,,alle fundamentele gegevens wijzen op een terugkeer naar gezonde groei'', maar het is juist de vraag of de nu afgesloten periode van groei zelf wel zo gezond was. Nu de economie als een kaartenhuis in elkaar lijkt te zakken, rijst immers de vraag of het fundament van de spectaculaire hoogconjunctuur uit veel meer heeft bestaan dan een opgepompte hausse op de aandelen- en onroerendgoedmarkten.

Er is de afgelopen jaren voortdurend voor gewaarschuwd dat deze hausse overtrokken was en op waan gebaseerd. Een reële ondergrond was er niet voor aan te wijzen, maar te stoppen viel zij niet. Economisch gezien heeft deze hausse dan ook weinig anders opgeleverd dan een immense verschuiving van rijkdom. Doorbraken op het gebied van productontwikkeling en productiemethoden zijn uitgebleven. De golf van fusies en overnames is grotendeels op fiasco's uitgelopen. Maar eigenbelang en hebzucht waren te machtige drijfveren bij het omhoogjagen van de koersen waarbij leugen en bedrog niet geschuwd werden. Nu de ontnuchtering is ingetreden zien de marktadepten de bui al hangen: zal de publieke stemming niet doorslaan in een afkeer van de markt en het bedrijfsleven, en in een terugkeer naar het vertrouwen in een regulerende en beschermende overheid?

Josef Joffe, redacteur en mede-uitgever van Die Zeit, is zo'n marktadept (Opiniepagina, 7 augustus). In een poging om dit, in zijn ogen reële, gevaar te bezweren, roept hij op tot het uitvaardigen van nieuwe overheidsregels die uitwassen moeten verhinderen. Transparantie is hierbij zijn trefwoord. Maar was het niet uitgerekend transparantie op basis waarvan de pleitbezorgers twintig jaar geleden hun primaat van de markt lanceerden en de overheid noopten terug te treden? Marktkrachten zouden nu juist transparantie en optimale allocatie bewerkstelligen.

De roep om transparantie is er dus niet geloofwaardiger op geworden. Bovendien zijn de huidige regels en voorschriften indertijd ook ingegeven door dezelfde intentie, namelijk schandalen te voorkomen. En ze zijn zonneklaar: ruimte voor leugen en bedrog laten ze niet. Het gaat erom dat er actief op wordt toegezien en dat leugen en bedrog tijdig aan de kaak worden gesteld.

Het meest onthutsende dat bij uitstek aan de huidige vertrouwenscrisis heeft bijgedragen, is dat toezichthoudende organen verzaakt hebben, dat accountants en andere professionals hun onafhankelijkheid te grabbel hebben gegooid. Zonder een omslag in het politiek-maatschappelijk klimaat valt er van nieuwe voorschriften dan ook niet veel te verwachten. Daar is een kritische publieke opinie en pers voor nodig alsook counter-vailing power van de zijde van de overheid. En die drie hebben zich nu juist door het primaat van de markt laten inpakken. In de hoon waarmee de markthelden van weleer nu in de pers worden overladen, schuilt ook schuldgevoel over eigen tekortschieten. Nu de stemming is omgeslagen zou het verkeerd zijn om de aandacht op de uitwassen te richten – het gaat om meer.

De verrijking van topmanagers is een algemeen verbreid verschijnsel en voor de omvang ervan bestaat geen enkele objectieve rechtvaardiging. Kevin Philips, wiens nieuwe boek Wealth and Democracy overigens nog steeds niet verschenen is, heeft in een voorpublicatie becijferd dat topmanagers in de VS die begin jaren '80 gemiddeld nog 3,5 miljoen dollar verdienden, hun beloning in 2000 tot 150 miljoen dollar hadden weten op te trekken. De periode waarin ze dat klaargespeeld hebben valt samen met de opkomst van het Reaganisme en de verheerlijking van de markt. Uit onderzoek onder topmanagers in Amerika blijkt dat zij zichzelf als de geboren leiders zien; uitverkorenen die niet gebonden zijn aan de tucht van de markt waaraan ze ieder ander wel hebben weten te onderwerpen. Zij hebben zich een positie verworven waarin ze zonder serieus weerwerk de dienst uitmaken, en zelf ook bepalen welke beloning hun toekomt.

De opkomst van deze kaste van managers en de wijze waarop zij zich zouden gaan verrijken, is zestig jaar geleden al voorzien in een destijds zeer spraakmakend boek: The managerial revolution van James Burnham, die tot begin jaren '60 furore maakte met zijn inzichten. Daarna verbleekte zijn ster omdat zijn voorspellingen niet leken uit te komen. Het is ironisch dat op het moment waarop hij alsnog gelijk lijkt te krijgen, zijn naam in de laatste Encyclopedia Brittanica niet meer voorkomt.

Burnham stond destijds allerminst alleen in zijn aandacht voor de opkomst van de manager wiens positie niet op eigendom van de productiemiddelen steunde, maar op de beschikkingsmacht erover. In hun standaardwerk The modern corporation and private property (1932) hadden Berle en Means al aangegeven dat de 200 grootste Amerikaanse ondernemingen, die niet minder dan 50 procent van de toenmalige beurswaarde voor hun rekening namen (en 40 procent van het in Amerikaanse bedrijven geïnvesteerde vermogen), in meerderheid bestuurd werden door het management dat in zelfstandigheid kon besluiten. Berle en Means waren in hun conclusie hierover voor gevestigde academici bepaald niet kinderachtig: ,,De concentratie van economische macht, los van eigendom, heeft in feite economische bolwerken doen ontstaan en heeft die in handen gesteld van een nieuwe vorm van absolutisme, eigenaren daarbij reducerend tot degenen die de middelen verschaffen op grond waarvan de nieuwe prinsen hun macht kunnen uitoefenen. De erkenning dat het bedrijfsleven gedomineerd wordt door deze economische autocraten moet ons de holheid doen beseffen van het vertrouwde beeld dat ondernemerschap in Amerika een zaak is van particulier initiatief.''

Burnhams verdienste ligt in het doorzien van de consequenties van deze ontwikkeling. Hij zag toen namelijk al dat topmanagement zichzelf niet alleen beschouwt als de geroepene om leiding te geven aan ondernemingen, maar dat zijn missie zich uitstrekt tot het leiden van de maatschappij en haar voortdurende vernieuwing en aanpassing aan de veranderende omstandigheden. In onze maatschappij, zo voorzag Burnham, zou het managementdenken zo zeer terrein winnen dat het op alle maatschappelijke sectoren, met inbegrip van de overheid, van toepassing verklaard zou worden.

De organisatie en besturing van de maatschappij zou steeds meer in het teken van efficiency en effectiviteit komen te staan. In het verlengde daarvan komt, mede door centralisatie van de macht, de zeggenschap te berusten bij een select gezelschap topmanagers, ook binnen de overheid. Het woud van beperkende wetten en voorschriften van de kant van de nationale overheden zou er volgens Burnham aan moeten geloven. Topmanagers zouden in hun verzet hiertegen het grote publiek aan hun zijde weten, aangezien dit in welvaart en werkgelegenheid geïnteresseerd is en niet in politiek.

De nationale staten met ieder hun eigen douanetarieven en bepalingen alsook hun nationaal gereguleerde geld- en kapitaalmarkt, stonden volgens hem sowieso haaks op de schaalgrootte van de markt die nodig is om bij snelle technologische ontwikkeling de internationale arbeidsverdeling tot haar recht te laten komen. Het was voor hem duidelijk dat de nationale soevereiniteit achterhaald was, en dat een nieuwe wereldorde op komst was met vrije uitwisseling van goederen en kapitaal. Globalisering werkt de overgang van macht en invloed op het topmanagement in de hand en maakt die ongrijpbaar.

De managementmaatschappij waarin beheersmacht centraal staat, draagt een ander karakter dan de op bezit gefundeerde kapitalistische maatschappij. Topmanagers zullen daarin niet langer als ingehuurde krachten afhankelijk zijn van de wisselvalligheden van de arbeidsmarkt, hun sociale positie zullen ze weten veilig te stellen door uitoefening van hun beheersmacht. In die zin zullen ze veeleer een nieuwe leidende kaste vormen, zo stelde Burnham, dan een klasse. En op basis van de stelling dat elke leidende kaste in de geschiedenis een exploiterende kaste geweest is, zal de nieuwe managementkaste evenmin rusten alvorens privileges en rijkdom hun deel worden. Wat in 1989 na de val van het communisme is uitgeroepen tot `de triomf van het kapitalisme' kan in feite als de bezegeling van de managementmaatschappij beschouwd worden zoals Burnham die voorzag.

Als geen ander heeft hij voor het doorzetten van de managerial revolution het belang van de globalisering onderkend. De Eerste Wereldoorlog vatte Burnham op als de `laatste kapitalistische oorlog', en de Tweede als de `eerste managementoorlog'. Uitkomst van die laatste oorlog moest volgens hem de vestiging van een nieuwe wereldorde zijn, waarin drie superstaten de wereldeconomie zouden gaan beheersen: Noord-Amerika onder leiding van de VS, Europa aangevoerd door Duitsland, en Zuidoost-Azië beheerst door Japan. Ondanks onderlinge rivaliteiten tussen die drie machtsblokken zou het gemeenschappelijke belang van de managementkaste bij vrij verkeer van goederen en kapitaal, de grondslag van hun heerschappij, ervoor zorgen dat ze elkaar zouden weten te vinden. Niet in de laatste plaats dankzij de dominantie van de VS, die dit vrije economische verkeer zou afdwingen.

Men mag zeggen dat deze uitkomst door Burnham in 1941 wel zeer raak voorspeld is. Alleen heeft die uitkomst zich pas aan het eind van de twintigste eeuw voorgedaan en niet, zoals hij meende, medio jaren zestig. Dat zich na de eerste managementoorlog toch nog een kapitalistische oorlog zou voordoen, en wel een koude oorlog, heeft hij niet voorzien. Pas nadat die met de onbetwiste dominantie van de VS beslecht was, kwam er ruimte voor het krachtenveld dat Burnham in kaart gebracht had en toen ook met de door hem voorspelde uitkomst.

Wie bereid is deze zienswijze van de managementmaatschappij ook maar te overwegen als een verhelderende interpretatie van wat we de afgelopen twintig jaar te zien hebben gekregen, zal niet graag volhouden dat de huidige crisis adequaat kan worden bestreden door nieuwe voorschriften die het managementhandelen `transparant' moeten maken. Daarvoor is, zoals gezegd, een krachtig tegenwicht nodig. Maar de twee traditionele tegenkrachten, de overheid en de georganiseerde arbeid, hebben de afgelopen vijftien jaar nu juist aan kracht en invloed ingeboet. Door de globalisering en het vrije economische verkeer is de positie van de overheid ten opzichte van het bedrijfsleven danig verzwakt, terwijl de vakbeweging in de gehele wereld als direct gevolg van de afgedwongen `flexibilisering' van de arbeidsmarkt aan een opvallende neergang onderhevig is.

Of deze verzwakking van overheid en vakbeweging een omkeerbare ontwikkeling is, zal mede afhangen van de diepte die de economische crisis aanneemt. Als de economie zich op korte termijn zal weten te herstellen, zal ook de vertrouwenscrisis spoedig voorbijgaan. Maar als de economische neergang zich verdiept, staat ons een periode van politieke polarisatie te wachten waarin traditionele sociale tegenstellingen zich weer zullen doen gelden en de institutionele beperkingen die de vrijheid van handelen van de managementkaste aan banden legden, weer zullen herleven. Het recente optreden van Schröder in Duitsland, hoezeer ook ingegeven door electoraal opportunisme en berekening, laat zien hoe snel de bakens in dit opzicht verzet kunnen worden: de vriend van de nieuwe prinsen die zich als hun bestrijder opwerpt.

Prof.dr. A. van der Zwan is econoom.