Indonesië gebaat bij nieuwe constitutie

De scepsis over de nieuwe constitutie van Indonesië is niet terecht. Want deze Grondwet is wel degelijk een belangrijke stap op weg naar democratie, meent Adriaan Bedner.

De nieuwe constitutie van Indonesië vermag weinigen tot positieve reacties verleiden. Het Volkscongres amendeerde vorige week de uit 1945 daterende Grondwet voor de vierde maal (binnen drie jaar) en daarmee heeft zij de juridische basis van meer dan veertig jaar autoritair bewind definitief ontmanteld.

Het verbaast dan ook dat de meeste reacties weinig positief zijn. Zo deed de politiek analist Djiwandono het resultaat af als `korte-termijnpolitiek' en concludeerde hij dat Indonesische politici ,,alles zo vaag mogelijk formuleren, zodat iedereen er zijn voordeel mee kan doen'' (NRC Handelsblad, 12 augustus). En ook de Indonesische organisaties die zich de afgelopen jaren het meest hebben ingezet voor de hervormingen lijken ongelukkig met de nieuwe Grondwet.

Gelet op de inhoud van de vier amendementen kan geconstateerd worden dat alle belangrijke doelen van de hervormingsgezinden zijn gerealiseerd. Had Indonesië onder Soeharto de kortste (en waarschijnlijk vaagste) Grondwet ter wereld, nu hebben de Indonesiërs een complete catalogus van klassieke en sociale grondrechten, waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, en een garantie voor decentralisatie. Voorts komt er een Constitutioneel Hof dat gaat waken over de naleving door regering en parlement van deze verworvenheden. Volkscongres en parlement bestaan voortaan uitsluitend uit gekozen leden, met als gevolg dat vanaf de verkiezingen in 2004 leger en politie niet langer officieel vertegenwoordigd zijn.

Een andere streep door de Nieuwe Orde van Soeharto is de maximale zittingstermijn van 10 jaar voor de president. Het is allemaal ondubbelzinnig geformuleerd en lijkt niet vatbaar voor velerlei interpretatie. Ook is lering getrokken uit het recente politieke verleden: de bevoegdheden van parlement en president zijn duidelijk afgebakend, waardoor een omstreden politieke impeachment zoals van Abdurrahman Wahid, niet nogmaals plaats kan vinden. En nu president en vice-president voortaan rechtstreeks worden gekozen, kan een scenario als in november 2000 zich ook niet herhalen: toen kreeg Wahid plotseling de voorkeur van het Volkscongres boven Megawati, ook al had haar partij verreweg de meeste stemmen behaald.

Het oordeel wordt nog positiever, gelet op wat gelukkig niet in de Grondwet is gekomen en wat er verder allemaal fout had kunnen gaan. In de eerste plaats wordt Indonesië geen islamitische staat en worden Indonesische moslims niet onderworpen aan de sharia, zoals voorgesteld door enkele islamitische partijen. Ook heeft het opnemen van de term pribumi (`autochtoon') het niet gehaald. Was dit erdoor gekomen, dan zou het zeker tot een verdergaande polarisatie tussen Indonesiërs van Chinese afkomst en `autochtonen' hebben geleid. En tenslotte is ook het meest sombere scenario niet gerealiseerd: het Volkscongres is niet in een impasse terechtgekomen en Megawati heeft dus ook geen presidentieel decreet uitgevaardigd om alle eerdere amendementen ongedaan te maken. Dat was een serieuze mogelijkheid, waarvoor het leger publiekelijk zijn steun al had uitgesproken.

De vraag is waardoor de sombere reacties op de nieuwe constitutie worden gevoed. In de eerste plaats draait de Indonesische economie nog steeds niet goed en heerst er een algemene onzekerheid en desoriëntatie die vaak volgt op ingrijpende politieke omwentelingen. Maar belangrijker is dat de Indonesiërs het vertrouwen in het constitutionele hervormingsproces hebben verloren. Dit proces heeft niet alleen lang geduurd, maar is ook gekenmerkt door ruzies, corruptie en politieke spelletjes. Zou je in 1996 een hervormingsgezinde Indonesiër hebben verteld hoe de Grondwet er in 2002 uit zou zien, dan zou zijn vreugde waarschijnlijk geen grenzen hebben gekend. Nu het vertrouwen in de politieke leiders echter is gedaald tot een absoluut dieptepunt, heeft men ook geen enkele fiducie meer in de wetten die tot stand worden gebracht.

Dat gebrek aan vertrouwen is begrijpelijk: de politieke omwentelingen in Indonesië hebben helaas geen verlichte politieke elite aan de macht gebracht die zich eensgezind inzet voor het publieke belang, en voorts probeert om de grote maatschappelijke problemen op te lossen. De meeste parlementariërs lijken zich meer te interesseren voor het aantal cilinders van hun dienstauto dan voor de wetten die ze zouden moeten behandelen. Absoluut dieptepunt was het handgemeen binnen het Volkscongres in november vorig jaar, toen vertegenwoordigers van de regio's met fysiek geweld probeerden te voorkomen dat hun financiële vergoeding omlaag zou gaan omdat ze niet langer een eigen fractie mochten vormen.

Dat neemt niet weg dat dezelfde Volkscongresleden op cruciale momenten toch niet alleen hun eigen belangen hebben nagejaagd. Ze zijn in staat gebleken compromissen te sluiten en verstandige beslissingen te nemen. En ook al zal het met de huidige politieke elite, in de woorden van Djiwandono, wel blijven`doormodderen' en ook al hebben de meeste Indonesiërs weinig vertrouwen in de kracht van het rechtssysteem, het Volkscongres heeft de `spelregels' ingrijpend gewijzigd en met het Constitutionele Hof een nieuwe scheidsrechter aangesteld om toe te zien op de naleving ervan. Deze constitutie biedt hoop op verbetering en er is dus wel degelijk reden tot vreugde.

Adriaan Bedner is als post-doc onderzoeker Indonesische Recht verbonden aan het Van Vollenhoven Instituut voor recht, bestuur en ontwikkeling van de Universiteit Leiden.