Het Kattenrecept

Het is mij nooit gelukt om racist te worden, misschien omdat ik geen optimist ben. De man die zegt dat alle Marokkanen gespuis zijn, val ik bij, met de toevoeging dat precies hetzelfde geldt voor alle Nederlanders. Alle mensen zijn slecht. Maar sommigen zijn slechter en tot dezen behoort de medische student Tho. Men neme zich voor hem in acht.

Ik leerde hem kennen toen hij af en toe de plaats van zijn oudere zuster, genaamd Oudere Zuster, innam in haar loempiakraampje. Een dunne jongen met een rond brilletje. Af en toe kwam hij langs en dan dronken we iets. Hij was uitstekend gezelschap, geestig, goedgeluimd en bijzonder intelligent. Op het atheneum verveelde hij zich zo dat hij er drie Europese en twee Aziatische talen bij leerde; de medische studie had zo weinig om het lijf dat hij was begonnen er verscheidene meer specialistische studies naast te doen, dit alles met het air van iemand die nooit een slag uitvoert.

Toen kwam opeens het opschrijfboekje op de proppen, een klein zwart boekje waarin hij af en toe glimlachend iets noteerde. Hij legde uit dat hij racismen verzamelde. `Een privé-projectje.'

`Dat is te makkelijk. Ik kan in een half uur meer racistische opmerkingen maken dan jouw boekje kan bevatten, maar wat dan nog?' Nee, zei Tho, hij zocht naar onbewust racisme, te vinden bij mensen die zich er vrij van wanen. Ik haalde mijn schouders op en we schakelden over op het Midden-Oosten.

Een maand geleden werd ik uitgenodigd voor het feest van de oude mevrouw, Tho's moeder. Die is niet mis. Ik feliciteerde haar met haar loopbaan. Want vijfentwintig jaar geleden spoelde zij bijna letterlijk aan op Hollands blanke kust en werd prompt op transport gesteld naar een gevangenkamp (`opvangcentrum'). Daar zat zij; vreemd land, vreemde taal, vreemde mensen en haar activa gingen de vijftig cent niet te boven.

De volgende morgen verliet zij het kamp, hoewel dit in 22 talen verboden werd, nam de bus naar de grote stad en daar zat zij nu: eigen, bloeiende nering, eigen huis, twee mooie dochters en een geleerde zoon, en omringd door dozijnen familieleden die zij in de loop der jaren met engelengeduld uit allerlei kampen had opgevist. De kamer was vol mensen, kleutertjes kropen rond en de oude dame bescheen ons met haar vriendelijkste glimlach.

Ik zat daar, nogal met mezelf tevreden, toen een oudere man binnenkwam met een kattenmand. Dit was oom Lo. Hij hield de oude dame de kattenmand voor; zij tuurde naar binnen – en prompt schoot een lange poot tevoorschijn, met klauwen die haar maar net misten. Iedereen lachte; oom Lo verliet met zijn mand de kamer.

`Is dat je moeder's kat?' vroeg ik Tho.

`Nee, nee. Hij gaat de pan in. Vietnamezen eten graag kat. Er bestaat een beroemd gedicht over een kattenrecept.'

Hierop verloor ik mijn bezinning, mijn gezonde verstand en mijn gezicht. Ik schoot overeind, sprintte, kleuters vertrappend en stoelen omgooiend, naar de keuken en keek verwilderd rond. Twee meisjes stonden in pannen te roeren, Oom Lo zocht iets in de ijskast en de kattenmand stond op de aanrecht. Ik greep het hengsel, stormde de achtertuin in en rukte aan de schuttingdeur. Op slot. Ik probeerde met het hengsel tussen mijn tanden, er overheen te klimmen. Dat lukte niet. De keukendeur vloog open en een menigte roepende, zwaaiende Vietnamezen stroomde naar buiten. Doodsangst gaf mij berenkracht: ik hees mijzelf over de schutting, viel languit op mijn gezicht in de brandgang en zette het op een lopen, zonder te weten waarheen. In deze nieuwbouwbuurt kende ik de weg niet. Ik draafde doelloos door doodstille straten en belandde tenslotte, snakkend naar adem, op een plein.

In de mand werd gemiauwd. `Braaf zijn, poes! Anders eten ze je op.' En verdomd, daar waren ze weer, komend uit een zijstraat, oom Lo voorop. Blind voor alles greep ik mijn mand en stoof dwars over een met urinegeel licht beschenen tweebaans weg, om gestuit te worden door pijnlijk bandengegil – de Marokkaanse jongen op zijn scooter had mij maar juist gemist. Ik sloeg alle uitleg over, sprong met mijn mand op de duo en riep `Wegwezen!'

Gelukkig wist hij van wanten. En een goede jongen was hij ook. Hij vroeg niets, zette me af in mijn eigen buurt en weigerde elke betaling. Thuis kon ik eindelijk het dier eens zien dat ik met kordaat ingrijpen had gered van een gruwelijk lot. Het bleek een alleraardigste lapjeskat te zijn, aanvankelijk nogal confuus van de reis, maar al vlug in voor een hapje. Mijn eigen poes bromde eerst een beetje, maar een tactvolle verdeling van de brokjes en een lange sessie tweehandig aaien overwonnen veel bezwaren.

Met tegenzin ging ik de volgende morgen Oudere Zuster in haar kraampje raadplegen.

`Dag Pol. In orde met jou? Mijn moeder begreep niet: waarom de kat van oom Lo stelen?'

`Omdat hij opgegeten zou worden. Ik kon... ik kan... dat keur ik niet goed.'

`Opgegeten? Jij denkt Vietnamezen eten katten? Oom Lo, hij komt van de dierenarts. Kat beter niet uit mand, zoveel mensen.'

`Maar Tho zei het zelf... een beroemd recept...'

`Klein grapje van Tho.' In haar pannen roerend wendde ze mij haar knappe gezichtje toe en gaf mij een serene glimlach. `Tho zegt: als jij denkt dat wij katten eten, jij misschien toch nog heel klein beetje racist. Nietwaar Pol?'