Vreemde stammen

Het Nederlandse bos is niet meer orgineel. Exotische boomsoorten verdringen inheemse soorten en buitenlands zaaigoed lengen het genetische erfgoed van autochtonen aan.

Nog minder dan vijf procent van de soorten in het Nederlandse bos is `autochtoon', concludeert de Utrechtse boomecoloog Bert Maes na vijftien jaar inventariseren. In opdracht van het ministerie van LNV en samen met ecoloog Chris Rövekamp onderzocht Maes inmiddels 40 procent van de Nederlandse natuur op oude boompopulaties. Onlangs kwam hij daarmee nog in het nieuws, toen hij op de Veluwe eiken ontdekte die mogelijk vijftienhonderd jaar oud zijn.

Het resultaat van het onderzoek beschreef de onderzoeker onlangs in het Nederlandse plantenecologische vakblad Gorteria (februari 2002) een lijst van honderd soorten en ondersoorten die oorspronkelijk in Nederland voorkomen, van Spaanse aak tot Wollige sneeuwbal.

De grens tussen oud en nieuw is soms moeilijk te trekken, geeft Maes toe. ``Op een geologische tijdsschaal gezien, zijn zelfs de oudste bomen in Nederland nieuwkomers,'' zegt hij. Want pas vijftienduizend jaar geleden, toen de laatste ijstijd eindigde, ontstond het Nederlandse bos. Toen trokken de eerste berken en grove dennen vanuit het zuiden de kale toendra op. In de navolgende tien millennia kregen ze gezelschap van onder andere eik, iep, linde en beuk.

Maes spreekt van `genenbronnen', populaties waarin het oorspronkelijke Nederlandse genetische materiaal nog aanwezig is, om een onderscheid te maken met buitenlandse bomen die zich recent in Nederland hebben gevestigd. ``Ik heb ontdekt dat een aantal genenbronnen ontzettend zeldzaam is geworden'', vertelt Maes in zijn veertiende-eeuwse kantoor annex woonhuis in Utrecht. Vooral de middeleeuwers zijn daaraan schuldig: voor houtskoolwinning en ontginning van landbouwgrond kapten ze het Nederlandse bos bijna volledig weg. Serieuze pogingen tot heraanplant begonnen aan het eind van de achttiende eeuw, maar daarmee kwamen de oorspronkelijke soorten niet terug.

landbouwers

Volgens de ecoloog van Ecologisch Adviesbureau Maes is dat een probleem, omdat juist de autochtone bomen genetisch het best aangepast zijn aan ons klimaat. ``De mens heeft in Nederland al zevenduizend jaar invloed op de natuur: door de landbouwers zijn er steeds bepaalde planten en bomen bevoordeeld en andere benadeeld. Het gaat bijvoorbeeld om hakhout en spaartelgenbossen, die eeuwenlang door de mens zijn onderhouden en geëxploiteerd. Nu moeten we behouden wat er nog over is, want wat verdwijnt komt niet meer terug. In de tienduizend jaar dat die bomen hier staan zijn ze aangepast aan bodem en temperatuur. Alles wat je invoert heeft die selectie nooit doorgemaakt.''

Vooralsnog lijken exoten zich echter goed te kunnen handhaven in het Nederlandse klimaat. De kenner pikt die echte exoten (soorten die van oorsprong alleen in het buitenland voorkomen) er meteen uit in de natuur. Maar ook schijnbaar inheemse soorten zoals de Veldesdoorn en de Sleedoorn zijn niet altijd autochtoon, omdat zij zijn opgekweekt uit buitenlands zaaigoed. Dat is minder zichtbaar, maar betekent volgens Maes wel een verlies aan cultuurhistorische waarde. Inheemse bomen en struiken vormen het skelet van typisch Nederlandse ecosystemen en zijn vaak beeldbepalend voor regionale landschapsverschillen.

Om uit te maken welk bos nog tot de autochtone vegetatie behoort, zoekt Maes bijvoorbeeld uit of een bos er aangeplant uit ziet, of een populatie op negentiende-eeuwse kaarten staat en of de bomen samen voorkomen met planten die bij de natuurlijke bosvegetaties horen. Slechts in een aantal gevallen zijn er harde DNA-gegevens beschikbaar, verzameld door ander onderzoekers. Verwante populaties van eiken zijn te volgen in een lijn naar Spanje of Italië: de warme streken van waaruit de bomen na de laatste ijstijd optrokken. Maar bij soorten die door vogels verspreid worden, is het veel moeilijker om de afstammingslijn te volgen, legt hij uit: die zaden verplaatsen zich daarvoor te snel.

Omwille van de genetische diversiteit moeten de laatste procenten die resteren van het Nederlandse bos beter worden beschermd, vindt de boomonderzoeker. Maes, die zelf ooit in Utrecht in de monumentenzorg werkte, legt de nadruk op de cultuurhistorische waarde van die oude boompopulaties. ``Kijk, als je een middeleeuws huis restaureert, gebruik je geen achttiende-eeuwse stenen, en zo is het met bomen ook. Maar dat gaat vaak mis, zoals bij de restauratie van Versailles. Er moest daar een oude lindelaan hersteld worden, maar in plaats van oorspronkelijke bomen, pootten ze er tien of twaalf verschillende soorten. Terwijl er bij Versailles ook nog oude lindes staan die je zo zou kunnen stekken. In Nederland gaat het hetzelfde: er wordt maar wat aangeplant. Niet alleen bij cultuurgoederen, maar ook in natuurgebieden.'' Dat is een ernstige vorm van floravervalsing meent Maes.

Het probleem is vaak dat het lastig is om aan `autochtoon zaad' te komen. In het rapport Bronnen van ons bestaan (april 2002) presenteert het ministerie van LNV daarom een plan om de inheemse genenbronnen in Nederland veilig te stellen. Vijftien inheemse boom- en struiksoorten krijgen over vier jaar een plaats in een genenbank, vertelt beleidsadviseur Gerard Grimberg van het Expertisecentrum van LNV in Wageningen. Op een terrein van Staatsbosbeheer in zuidelijk Flevoland worden de bomen gestekt of uitgezaaid, zodat natuurbeheerders aan meer en goedkoper inheems zaad kunnen komen. Mogelijk wordt het project later uitgebreid tot een kleine dertigduizend exemplaren van in totaal vijftig soorten.

italiaanse meidoorn

Grimberg: ``Nu is het gebruik van inheems zaad nog heel kleinschalig. Het gaat om enkele tientallen hectares bos of honderdduizend bomen per jaar.'' Tot nog toe was de prijs vaak het argument voor natuurbeheerders om zaad voor bomen uit het buitenland te halen, zegt Grimberg. ``Maar als je een meidoorn gaat kopen uit Italië, dan gaat dat wel opvallen. Want als die eenmaal aan de Drentse Aa staat, bloeit de struik twee tot drie weken eerder dan de rest.'' Natuurbeheerders in Nederland tonen zich tot nog toe vooral actief in het uitwieden van exoten, zoals Amerikaanse eik, Vogelkers en Douglasspar. ``Het gaat ons niet om de herkomst van boomsoorten, maar om de natuurwaarde, zegt Henk Siebel, beleidsmedewerker bossen bij Natuurmonumenten. ``Exoten, zoals Amerikaanse eiken, verspreiden zich snel en maken vaak zo'n donker bladerdek en dikke strooisellaag dat weinig andere bomen en planten de kans krijgen. Japanse lariks is ook een exoot, maar die gedraagt zich niet zo agressief. Die bestrijden we dus ook niet zwaar.''

Grimberg vindt dit geen geldig argument: ``Onder sommige inheemse bomen zoals de beuk groeit door de dikke strooisellaag ook niets.'' Volgens Grimberg kunnen natuurbeheerders de exoten beter wat langer laten staan, want een oudere boom kan goed hout opleveren. Het beste is volgens hem om dunningsgewijs te kappen. ``Sommige beheerders maken kapvlaktes. Dat kun je de recreant niet aandoen. Bovendien gaat het bos meteen een stap terug in de successie, je rekent af met de natuurlijke verjonging. Voor de diversiteit is dat ook niet goed: je krijgt vaak dezelfde bomen terug die er al stonden.''

Siebel is het daar helemaal niet mee eens. Kapvlaktes geven de inheemse bomen juist wel de ruimte, denkt hij. ``Als je in een Douglasbos kleine gaatjes gaat maken, dan krijg je daar alleen maar verjonging van Douglas. Dat moet je dus grootschaliger doen. Dan pas krijgen lichtminnende soorten een kans. Bovendien horen open plekken erbij, zo is ook de nachtzwaluw teruggekomen in gebieden van Natuurmonumenten. Een natuurlijk bos is meer dan een dicht pak bomen.'' Aanplanten is voor de organisatie geen aantrekkelijke optie. ``Wij willen dat soorten zich zoveel mogelijk spontaan vestigen. Dan heb je de beste kans dat de boom zich goed ontwikkelt.'' Alleen waar geen autochtone boompopulaties in de buurt zijn, wordt er wel geplant.

Grimberg vindt die aanpak van natuurorganisaties veel te terughoudend. ``Het werkt beperkend voor het ontstaan van nieuw areaal met waardevolle plantensoorten. Aanplant is dan wel gekunsteld, maar zo kun je wel een vliegende start maken met het ecosysteem.'' Ook bioloog Bert Maes kan het aanplanten wel accepteren. ``Natuurontwikkeling op eigen kracht, daar ben ik helemaal voor. Maar het heeft ook zijn beperkingen: soorten die op uitsterven staan, krijg je er niet mee terug.''

Het stichten van nieuwe natuur blijft een complex proces, zo blijkt ook uit een voorbeeld van Bert Maes: de Biesbosch. ``Dat gebied bestaat bijna helemaal uit grienden: oude aanplant van wilgen, voor hakhout. Om meer variatie in te brengen in het bos zijn daar bevers uitgezet. Die moeten daar gaan knagen en bomen omgooien, maar dat gaat niet zonder meer goed. Want de Biesbosch is ook een van de weinige natuurlijke groeiplaatsen van de Zwarte populier. En dat vinden bevers nou juist de lekkerste boom. Daar gaat de Zwarte populier!'' Maes lacht. De oplossing? ``De bever hoeft van mij niet weg. Maar je zou een aantal bomen kunnen beschermen tegen vraat, en extra populieren aanplanten op plekken in de Biesbosch waar de bever niet komt.'' Tuinieren is dus niet altijd te vermijden. ``Het is voor mij ook een proces geweest: biologen houden niet van aanplanten. Maar ik heb me gerealiseerd dat Nederland bijna voor honderd procent is aangeplant.''