Volkert van der G. 1

In het Zaterdags Bijvoegsel van zaterdag jongstleden ('Regels zijn regels en anders niet') wordt een beeld geschetst van de uitzonderlijke verdachte van de moord op Pim Fortuyn, de inmiddels alom bekende Volkert van der G. Familie, vrienden, kennissen en collega's omschrijven hem als een volstrekt rationeel handelende dierenvriend, als een intelligente pragmaticus met een ernstige allergie voor alles wat maar enigszins riekt naar onrecht. Men vraagt zich in groepsverband hardop af hoe deze liefhebbende echtgenoot en trotse vader, deze nuchtere, tuinierende, aan auto's sleutelende, `weinig aaibare' veganist met schaakcomputer en behept met een obsessie voor wetten, regels en procedures heeft kunnen ontaarden in een ordinaire moordenaar. Het `gewone' aan Volkert van der G. kan men blijkbaar niet verbinden met het `ongewone', in casu het gegeven dat hij een moordenaar is of zou kunnen zijn.

Hebben we hier niet `gewoon' te maken met een exponent van wat Ahrendt ooit de banaliteit van het kwaad heeft genoemd: de o zo alledaags uitziende vermomming van het kwaad. Misdadigers, zo weten we inmiddels, zijn op voorhand niet te herkennen aan een specifieke schedelomvang, flaporen, al dan niet uitpuilende ogen of doorlopende wenkbrauwen. Zelden ook kondigen zij hun misdaad aan. Het zijn in de meeste gevallen niet de zichtbaar onaangepaste en gefrustreerde mensen die tot moordenaar verworden. De geschiedenis van de misdaad is overladen met bijzonder aardige, vriendelijke, intelligente en pragmatische liefhebbers van dieren en kinderen die `plotsklaps' hun vermomming afwerpen en veranderen in ijskoude misdadigers. Familie, vrienden en kennissen van de ergste moordenaars uit de geschiedenis hebben in persoonsbeschrijvingen dezelfde karaktertrekken gebruikt als nu worden toegedicht aan Volkert van der G.

Hij is in dat opzicht dus helemaal niet zo uitzonderlijk als in het bewuste artikel verondersteld wordt. Hiermee is overigens nog niet verklaard waarom Van der G. tot zijn daad is gekomen. Misschien kan de Amerikaanse psychiater Robert Jay Lifton ons verder op weg helpen. Hij onderzocht de achtergronden en motieven van gerespecteerde artsen die bijdroegen aan de rassenmoord in het Derde Rijk. Hoe konden intelligente en vooraanstaande medici van goede komaf een dergelijke misdaad plegen? Hoe konden ze op de kinderafdeling van geestelijk gehandicapten de clown uithangen en gelijktijdig een dodelijke injectie toedienen, om daarna met eigen vrouw, kroost en herdershond onbekommerd van de avond te genieten? Volgens Lifton konden ze die misdaad plegen omdat ze er innerlijk van overtuigd waren dat ze geen kwaad maar goed deden of omdat ze vonden dat ze wel een beetje kwaad deden maar daardoor een groter kwaad konden voorkomen.

Zonder de moordaanslag op Fortuyn op hetzelfde `niveau' te plaatsen als dat van de massamoordenaars waar Lifton over schrijft, moet mijns inziens ook Van der G. gevangen zijn geweest in een van deze twee redeneringen toen hij besloot te doden. Het ongewone was voor hem op dat moment gewoon. Ter zelfanalyse kan Van der G. in zijn cel beter Liftons studie gaan lezen dan het gevangenisreglement van buiten leren, vogeltjes natekenen en plastic schaakstukken fabriceren.