Verkoopster in slijterij

In uw bijlage las ik een indrukwekkend verhaal van een man die zijn leven zag veranderen door een doodgewone overval. Als medehoofdrolspeelster in een klein overvalletje raakt dit me onverwacht heftig en diep.

Mijn eigen stukje verdriet werd geboren op een donderdag in oktober 2000 om vijf voor half acht 's avonds. Als enige onervaren verkoopster werkte ik in een slijterij.

Mijn impuls was meteen te schrijven. Maar wat? Wil ik mijn verhaal kwijt? Wil ik troosten en mijn ontroering uitspreken? Wil ik het belang van goede communicatie benadrukken? Ben ik een idealist en hoop ik op een toename van betrokkenheid bij elkaar? Van alles een beetje.

Een van de redenen dat ik naast mijn eigen praktijk wilde werken buiten het hulpverlenerscircuit was de behoefte om weer voelbaar in de maatschappij te staan. Datgene wat ik mijn cliënten `onderwees' zelf in praktijk brengen. De korte en praktische contacten in een winkel leken me een uitdaging. Op de vraag bij mijn sollicitatie of diefstallen en dergelijke voorkwamen werd wel bevestigend geantwoord.

Verzwegen werd dat een half jaar ervoor de filiaalchef met een pistool bedreigd was en mede om die reden was overgeplaatst naar een andere vestiging. De overvaller met baseballpet komt alleen voor de kassa op het moment dat ik even in het magazijn ben. We kijken elkaar in de ogen. Is het triomf die ik zie op het moment dat hij met de kassalade in de deuropening staat?

De vluchtauto staat klaar, verbijstering en ravage. Winkel dicht. De politie bellen. Hoe ziet de dader eruit? Ik zou het niet weten, al staat het beeld als een scherpe foto voor mijn ogen. Dan begint het allerergste. Niemand van het concern te bereiken. Het lukt, een filiaalchef van een andere zaak zal komen. Wachten duurt ondraaglijk lang, te lang, veel te lang. De dagen daarna komt steeds het wachten aan de orde. Op de personeelschef die me thuis bezoekt en verkeerd rijdt. Op het politiebureau. Ik kan gewoon niet wachten en ik dien te wachten en vooral te begrijpen dat iedereen zijn best doet. Ik begrijp het wel, heus wel, dat is tenslotte mijn vak. Maar wachten kan ik niet. Gelukkig, er is niets met u aan de hand, niet gewond of bedreigd. Dit zegt de chef, de politie, de regiomanager, de verbalisant.

Hoe komt men erbij, dat er niets met mij aan de hand is? De adrenaline giert door me heen, onrust, schuldgevoelens. De personeelschef steunt me geweldig, met vasthoudenheid belt hij me, stelt hij vragen en houdt me bij de zaak. Lange tijd erna hebben we nog contact. Ik ben al weer maanden weg, wanneer hij me precies een jaar erna belt om te informeren hoe het is. Attent en kloppend om te doen. Tijd wordt ingedeeld in `na de overval' en `voor de overval'.

Iedere keer wanneer ik een krantenartikeltje lees over een overval, besef ik iets van wat er bij die mensen is gebeurd. Het naarstig zoeken naar dergelijke gebeurtenissen in krant of op tv is voorbij. Voorbij is ook dat ik langsga bij winkels waar zoiets is gebeurd om mijn betrokkenheid te tonen.

Dichtbij komt het weer bij dit artikel. Ik draag het mee in mijn herinnering. Wordt dit geactiveerd, dan geeft mijn lichaam ook signalen af. De man voelt het waarschijnlijk nog dagelijks in zijn lijf en gemoed.

Na de overval ben ik me nog intenser met communicatie bezig gaan houden. Na de overval sta ik meer in het maatschappelijk leven. Durf erbij te zijn als iemand lijdt en werkt aan z'n eigen genezingsproces. Geen oplossingen, geen gebagatelliseer, gewoon er zijn. Al of niet met tranen in de ogen, al of niet met machteloosheid en schrik. Doet er niet doe, wees erbij, medemens.

Of ik het durf te doen, erbij zijn wanneer ik het voor mijn ogen op straat zie gebeuren? Eerlijk gezegd: ik weet het niet, ik hoop het en ben het van plan. Zeker weten doe ik het niet, ik ben ook een bangeschijter.