Rondom `Middernacht'

Rushdie hoort niet beroemd te zijn om de Iraanse banvloek, maar om zijn meesterwerk `Midnight's Children', stelt Pieter Steinz in deel 33 van de stoomcursus literatuur.

Ahmed Salman Rushdie kwam ter wereld op 19 juni 1947, iets minder dan twee maanden vóór de onafhankelijkheid van India, die eergisteren voor de 55ste keer gevierd werd. Naar eigen zeggen kreeg hij als jongetje vaak te horen dat het vertrek van de Britten uit India het gevolg was van zijn geboorte. ,,De familiegrap,' zo verklaarde hij in een interview, ,,werd de kiem van een roman, waarin niet één kind maar duizend-en-één kinderen, geboren op het middernachtelijk uur van de vrijheid, komisch en tragisch verbonden worden met de geboorte van een natie.'

Die roman heet Midnight's Children en verscheen in 1981, toen Rushdie alleen een nauwelijks opgemerkte magisch-realistische science-fictionroman op zijn naam had staan. De geschiedenis van India in de eerste dertig jaar na de onafhankelijkheid was verpakt in de monoloog van een even welbespraakt als humoristisch `middernachtskind' – een onbetrouwbare chroniqueur met een bovenmatig ontwikkeld reukorgaan en de gave om de gedachten te lezen van al zijn landgenoten. Het exuberante proza van deze Saleem Sinai, die zichzelf beschrijft als `a swallower of lives', biedt niet alleen een originele kijk op de overdracht van de kolonie, de moord op Gandhi, het bewind van Nehru en het schrikbewind van de `Zwarte Weduwe' Indira Gandhi, maar geeft ook een hilarisch beeld van een middenklassefamilie in de provincie Kashmir en de boomtown Bombay.

Met Midnight's Children bewees de in Bombay geboren maar in Engeland gevormde Rushdie zich als een meesterverteller die het beste uit de oosterse en westerse tradities in zich verenigde; hij verklaarde zich niet alleen schatplichtig aan experimentele stilisten als James Joyce en Laurence Sterne, of magisch-realisten als García Márquez en Grass, maar ook aan De verhalen van 1001 nacht en de melodramatische Hindi-films waarom zijn geboortestad beroemd is. Rushdie kreeg voor Midnight's Children de Booker Prize, bevestigde in 1983 zijn reputatie als leesbare postmodernist met het in karikaturaal Pakistan gesitueerde Shame, en publiceerde vijf jaar later het boek dat hem tot een cause celèbre zou maken: The Satanic Verses. Islamitische fundamentalisten ergerden zich van horen zeggen aan vermeend blasfemische passages, en nadat de roman in India en Engeland al op de brandstapel terecht was gekomen, sprak de Iraanse leider Khomeini op 14 februari 1989 een religieuze banvloek over de schrijver uit.

Er zijn critici die vinden dat Rushdie na de fatwa (die hem tot een jarenlang ondergronds bestaan dwong) nooit meer zijn oude niveau heeft bereikt – en wie het boekenweekgeschenk Woede (2001) heeft gelezen, zou dat grif geloven. Maar dan zou je voorbijgaan aan het prachtige kinderboek Haroun and the Sea of Stories (1990) of de overrompelende roman The Moor's Last Sigh (1995). En bovendien: zelfs al zou Rushdie na 1989 niets behoorlijks meer geschreven hebben, dan nog had hij recht op een ereplaats in de literatuurgeschiedenis. Als een van de kopstukken van de postkoloniale literatuur ('The Empire Writes Back') én als auteur van Midnight's Children, de Grote Indiase Roman die tien jaar geleden door een jury uit het land van de voormalige kolonisator terecht werd verkozen tot het beste boek dat ooit de Booker Prize had gewonnen.

Volgende week: `Justine' van de markies De Sade.

Pieter Steinz: ps@nrc.nl