Randverschijnsel

Een kogelbrief voor Frank Rijkaard, voor Bert van Marwijk, voor Guus Hiddink en voor Henk Kesler ik weet nu al wie de volgende zal zijn. De eerste de beste scheidsrechter die een vermeende penalty toekent, kan de brievenbus beter laten dichtmetselen. En Clémence Ross-Van Dorp moet ook niet te hoog van de toren blazen. De coiffure van deze onbestemde staatssecretaris is er eigenlijk al te veel aan.

Dit land is knettergek. Rotzooi is een doel op zich geworden, niet eens meer een onnozel element van de instrumentele moraal. Wraak is de motor. Daar leent de sport zich als geen ander segment van de samenleving voor. En zeker de volkssport die, net als de revolutie, zo graag haar eigen hysterie creëert. Desnoods gesubsidiëerd.

Ik zou wel twintig namen kunnen noemen van bobo's, trainers, wellicht spelers die in aanmerking zouden kunnen komen voor het bedreiginkje van een imbeciele taartengooier. Laten we zeggen de beroepsprovocateurs van het voetbalgilde, want die zijn er ook. Maar dat uitgerekend Rijkaard, Van Marwijk en Hiddink het slachtoffer zijn geworden van een ernstige bedreiging is de waanzin voorbij. Juist deze Drie hebben beschaving en tolerantie, respect en breeddenkendheid altijd hooggehouden. Zij zijn al lang ontstegen aan de gekoesterde vijandbeelden en de statusgevechten van het Nederlandse voetbal. Enige dwang tot hitserigheid hebben ze nooit gekend. Bijna a-seksueel zaten en zitten ze in de dug-out. Verslaafd aan de schoonheid van het spel, meer dan aan het succes.

Aan Frank, Bert en Guus stuur je bloemen, om het even waar, om het even wanneer. Strijd of geen strijd, bij winst of verlies. Het zijn gentlemen die je nog met paard en koets naar het stadion zou willen zien rijden, en bij slecht weer per huifkar. Eén ding weet ik zeker: aan de spiraal van agressie die het voetbal zo verziekt, hebben zij in hun voortreffelijke carrières part noch deel gehad. Integendeel, zij predikten geloof, hoop en liefde, vaak met een kwinkslag bovenop.

Kogelbrieven, kwetsende spreekkoren, intimidatie en chagrijn zijn het gevolg van de benoemingsangst die de voetbalwereld censureert. De barbarij wordt systematisch uitgevlakt, vergoelijkt, gerelativeerd, witgewassen. Een kogelbrief is meer brief dan kogel. Racisme in het stadion is toch anders dan racisme op school of in de fabriekshal. Hate-mails van supporters zijn een grapje. Knokpartijen van hooligans hebben de schijn van geweldpleging, maar eigenlijk valt het allemaal nog mee. Kortom, de mailaise is nauwelijks meer dan een flou artistique. Dit boosaardige laksisme van clubbesturen en politieke leiders heeft geleid tot de surrealistische ontsporing die het Nederlandse voetbal vandaag in het hart treft. Alles heette randverschijnsel te zijn en dan krijg je dus wat we nu hebben: het randverschijnsel aan de macht.

Natuurlijk is Harry van Raaij niet verantwoordelijk voor het wangedrag van de PSV-supporters. Maar zoals hij daar, die zondagmiddag, aan de hekken van de Herdgang, in een kleurrijk zomerhemdje, met doodsangst in de ogen en met lippen in de stand van een smeekbede om vergiffenis stond te palaveren met hekterroristen, smoorde hij elke suggestie van verantwoord leiderschap in de kiem. Het was een tragisch beeld. Je zou er een film van kunnen maken: de laatste diplomaat van de planeet groet het vuurpeloton en laat zich vervolgens in de rug schieten.

Harry is te lief voor het voetbal, ja zelfs voor PSV.

Voetballeiders zijn de ergste wentelteven. Ze schuiven alle decadentie af op de maatschappij. `Niet de voetbalwereld is ontwricht, de maatschappij is ontwricht.' Tja, zo kunnen we bezig blijven. Dan zeg je eigenlijk: Melkert was een goed mens en hij kreeg toch ook een kogelbrief. Wat staan we hier dan nog te zeuren over dat ongemakje dat Rijkaard, Van Marwijk en Hiddink in hun diepste privacy heeft getroffen?

Het ordinaire opportunisme und kein Ende.

Voetbalclubs claimen een absolute autonomie als het om hun belangen, hun inkomsten, hun privileges en hun dubieuze geheimdoenerij gaat. Maar als het leven uit de hand loopt, is iedereen medeverantwoordelijk: de politiek, kerken en kloostergemeenschappen, de ME, de veldwachter om de hoek. Ik had Harry van Raaij graag een keer boos gezien. Niet in de krant, aan het hek op de Herdgang. Zo boos dat hij bijkans uit elkaar spatte. Maar nee, Harry zalfde en balsemde, smeekte en prevelde een gebed om begrip.

Harry was slachtoffer.