NETHEIDSCULTUUR IN NEDERLAND NEKT DE HUISMUSSEN

Vanaf de dakrand tjilpende mussen die menselijke activiteit in stad en land becommentariëren en relativeren, zijn allang niet vanzelfsprekend meer. Breed publieksonderzoek bevestigt nu onder meer één eerder geopperde verklaring: de Nederlandse netheidscultuur nekt huismussen.

De huismus is de laatste jaren in Nederland, en ook wel elders in Europa, indrukwekkend in aantal gedaald. Om meer te weten te komen over de oorzaak ervan heeft de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) in 2001 het algemene publiek gevraagd door te geven waar men nog huis- en ringmussen zag (Passer domesticus en P. montanus). In samenwerking met vogeltelorganisatie SOVON en Vogelbescherming Nederland werden er 330.000 waarnemingskaarten verspreid. De verzamelde gegevens en overige publieksreacties zijn nu verwerkt, en onlangs in rapportvorm en als artikel gepubliceerd (www.knnv.nl/mussen; Natura 2002/4).

Uiteindelijk kwamen zo'n achtduizend reacties binnen, met in totaal 14.567 meldingen van groepjes mussen. Slechts vijf procent van de huismussen werd gezien op plaatsen zonder bebouwing. Bij ringmussen ligt dat percentage inmiddels maar iets hoger, op acht procent. Uit het project blijkt weliswaar dat mussen nog op veel plaatsen voorkomen, maar elders zijn ze geheel of grotendeels uit het straatbeeld verdwenen. Als reden noemt het rapport de netheidscultuur waar het gaat om voedselverschaffing, onkruid(zaden)tolerantie en nestgelegenheid.

Die heerst ook op het platteland: het rommelige boerenerf is niet meer. Oogst wordt zonder verspilling verwerkt, complete erven zijn geplaveid of geasfalteerd vanwege de angst voor besmettelijke dierziekten en om diezelfde reden ontbreken tegenwoordig ook scharrrelende ouderwetse kleindieren als kippen. Granen, maar ook insecten voor de mussenjongen, zijn veel moeilijker te vinden. Waar vroeger veel verschillende granen werden verbouwd, is men massaal overgestapt op maïs.

Flinke klappen vallen ook in de bebouwde omgeving. Bar weinig mensen kloppen nog tafelkleedjes met broodkruimels uit in de tuin en de restjes in GFT-bakken zijn ontoegankelijk. Broodaanbod is er nog wel (neem alleen de weggeworpen lunchpakketten van scholieren op weg naar de snackbar) maar niet bepaald in voor mussen hapklare brokken. Grotere vogels gaan ermee heen.

Nestruimte is ook niet altijd meer voorhanden. Daken worden gerenoveerd en erg goed bijgehouden, en erger: geïsoleerd en van gootstroken voorzien. Mussen staan daardoor in de kou: er schieten weinig hoekjes over waar ze nog, liefst in elkaars gezelschap, nesten kunnen bouwen. Stellig verwoorde publieksreacties maken overigens melding van jonge mussen die zouden stikken in glaswol.

Heeft de mussenafname ook een lichtpuntje? Kauwen hebben in groeiende aantallen de leeggevallen plekken bezet. Het rapport stelt in dat verband nadrukkelijk, tegen een flink deel van de publieke opinie in, dat kauwen niet de oorzaak zijn van dat leegvallen van mussenzijde. Je ziet kauwen inderdaad langs dakgoten met mussennesten struinen, maar ze eten dan vrijwel uitsluitend al dode jongen die door mussenouders uit het nest werden verwijderd.

Kauwen bestrijden heeft dan ook geen zin, al zouden veel mensen met een warm hart voor mussen dat graag willen, zo blijkt uit de publieksreacties. Omdat het hier een zichzelf selecterend publiek betreft, is de conclusie wetenschappelijk niet sluitend, maar één ding komt duidelijk naar voren: Nederlanders houden erg van mussen en missen ze zeer.